Politiek is geen levensovertuiging

Het hof wees de `haatzaai'-klacht van Spong en Hammerstein gisteren op formele gronden af. Toch keek het ook naar de inhoudelijke kant.

De aangifte wegens `haatzaaien' jegens Pim Fortuyn die de advocaten Spong en Hammerstein hadden ingediend tegen verscheidene politici en journalisten was ,,juridisch zinloos'' en ,,onzinnig''. Dit harde oordeel velde althans de hoogleraar strafrecht Buruma in het Juristenblad.

Daarbij kwam verbazing dat een wetsartikel dat Pim Fortuyn juist wilde afschaffen in zijn naam in stelling werd gebracht. De wetsbepaling is artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht. Dit verbiedt het zaaien van haat tegen mensen op grond van hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun geslacht dan wel seksuele geaardheid.

De vermoorde lijsttrekker moest niets van deze bepaling hebben, zo bleek wel in de nasleep van het befaamde Volkskrant-interview waarin hij kritiek uitte op het discriminatieverbod in de Grondwet. Achteraf verduidelijkte hij dat dit niet moet worden gebruikt om het vrije woord te beknotten. En dat doet artikel 137d onmiskenbaar.

De belangrijkste reden voor het oordeel van Buruma was dat zelfs een grove aanval op een politicus niet valt onder de bescherming van het wetsartikel. Politieke overtuiging is iets anders dan de beschermde godsdienst of levensovertuiging. Het gaat bij dit laatste volgens het Handboek strafrecht om ,,heilige en existentiële'' opvattingen over de zin van het bestaan. Het is niet de bedoeling van de wet politiek gedachtengoed met strafsanctie te beschermen als ware het een geloof, zo betoogde Buruma.

Dit onderscheid is achterhaald, betoogde echter een andere scribent in het Juristenblad. De bijzondere bescherming van het geloof dateert van de jaren vijftig, toen iedereen tot een zuil behoorde. Tegenwoordig ligt het een stuk gecompliceerder, met nieuwe botsingen tussen religies. Daaruit volgt echter nog niet dat politiek gelijk moet worden gesteld met godsdienst. Er is een heel goede reden dat niet te doen: het belang van robuuste politieke debatten.

Het gerechtshof in den Haag heeft nu een eind gemaakt aan de klacht van Spong en Hammerstein. Het verklaarde de raadslieden niet-ontvankelijk, omdat voor een klacht een ,,belanghebbende'' is vereist. En hoe tragisch ook, een dode kan nu eenmaal niet als zodanig gelden.

Op de radio legde Hammerstein er gisteren de nadruk op dat het hof niet aan de klacht zelf was toegekomen. Hij vergat te vermelden dat de rechters vanwege het belang van de inhoudelijke rechtsvraag daarover wel degelijk iets hebben gezegd. Hun conclusie liegt er niet om. Een strafzaak op grond van artikel 137d zou ,,geen kans van slagen hebben geboden''. Zelfs uit de Grondwet blijkt duidelijk dat politieke gezondheid en levensovertuiging twee verschillende dingen zijn.

En voor wat betreft het bezwaar dat de strafwet verouderd is het hof toonde zich daarvan ,,op voorhand overigens niet overtuigd'' ligt het eerder op de weg van de wetgever daaraan iets te doen. Met name de LPF, die de klacht mede heeft ingediend, kan zich aantrekken dat het parlement een betere plaats is voor deze kwestie dan de rechtszaal, zo stelde het hof.

Tegen de beslissing van het hof staat geen cassatie open. In beginsel is wel een beroep op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg mogelijk. De Leidse hoogleraar mensenrechten R. Lawson toont zich ,,nieuwsgierig naar de juridische argumentatie'' daarvoor. Er is in Straatsburg veel geklaagd over weigeringen om strafvervolging in te stellen, maar tot dusver tevergeefs. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat geen recht op strafvervolging van een ander.