Oppassen voor euro als splijtzwam

Om van de euro een succes te maken moeten de deelnemende landen zich aan de afgesproken voorwaarden houden. Nederland heeft hier groot belang bij, en het moet dissidente eurolanden op hun verplichtingen wijzen, vindt André Szász.

Gaat het wel goed met de euro? Als ik me dat afvraag denk ik niet in de eerste plaats aan de onverhoopte prijsstijging in de afgelopen jaren. Ook doel ik niet op de grote wisselkoersschommelingen tegenover de dollar, al lijken nu de zorgen over de weg terug omhoog niet minder groot dan eerder die over de weg omlaag. Het was beter geweest als die ontwikkelingen zich niet hadden voorgedaan. Maar mocht onverhoopt de duurzaamheid van de euro in het geding komen, dan komt dat door iets anders. Niet door de gang van zaken in de Monetaire Unie, maar door die in de Economische Unie, de E van de EMU.

Het verdrag van Maastricht, waarop de euro berust, gaat uit van de visie dat, wil de euro duurzaam zijn, de lidstaten zich dienen te houden aan verplichtingen op niet-monetair gebied. Zij moeten hun economisch beleid coördineren, noodzakelijke structurele hervormingen doorvoeren en in hun overheidsfinanciën beperkingen in acht nemen. Tot nu toe gebeurt dat onvoldoende.

Wat betreft de coördinatie staat Europa voor de uitdaging meer economische dynamiek en ondernemingszin ingang te doen vinden zonder de sociale cohesie wezenlijk aan te tasten. Ook de sociale cohesie dient in liberale kring van het grootste belang geacht te worden voor het realiseren van een leefbare samenleving. Het beantwoorden van de uitdaging stuit op structurele obstakels.

Bij vergelijking van de economische prestaties van de Europese Unie met die van de Verenigde Staten in de jaren negentig, blijkt de EU tekort te schieten. Dat is zeker zo als gelet wordt op de zogeheten Lissabon-doelstelling van Europese regeringsleiders om Europa in 2010 tot ,,de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken''. De geringere Europese prestaties zijn voor twee derde te verklaren uit een lager deelnemingspercentage van de beroepsbevolking en voor een derde uit een lagere arbeidsproductiviteit en minder gewerkte uren per werknemer.

Convergentie is fraai, maar als de geconvergeerde economieën vervolgens alle een laag groeitempo realiseren vergeleken met de VS, is er geen reden tot tevredenheid. Daarbij heeft Duitsland een groot probleem, en het spant zich niet bijzonder in dat op te lossen. De Duitse economie dreigt daardoor als rem op de Europese groei te gaan functioneren. Druk om bestaande structurele belemmeringen van de economische groei weg te nemen is nodig. Om te voorkomen dat sociale randvoorwaarden in het gedrang komen, kan het nuttig zijn rekening te houden met de wijze waarop andere Europese landen die belemmeringen zonder echt schadelijke sociale gevolgen uit de weg hebben geruimd.

Structurele maatregelen zijn ook onontkoombaar om de gevolgen van de komende vergrijzing op te vangen. De terugloop in het arbeidsaanbod kan de productie zwaar onder druk zetten, en de pensioenstelsels die op het omslagstelsel zijn gebaseerd – in de meeste landen is dat overwegend het geval – worden onbetaalbaar.

Noodzakelijk is samenhangende actie op diverse gebieden. Op Nederlands aandringen is afgesproken de ontwikkeling van pensioenstelsels periodiek in de Raad aan de orde te stellen. Die periodieke bespreking zal een minder vrijblijvend karakter moeten krijgen. Niet alle lidstaten zijn er de afgelopen jaren in geslaagd hun verplichting na te komen om hun overheidsfinanciën structureel in evenwicht te brengen.

Met name de drie grote landen Duitsland, Frankrijk en Italië (maar niet zij alleen) hebben de jaren met relatief gunstige economische groei 1999-2000 daartoe onvoldoende benut. Ze hebben in feite een procyclisch beleid gevoerd. Nu conjunctureel herstel zo lang uitblijft, zijn hun tekorten opgelopen en wordt de drie procent bruto binnenlands product (bbp) – de grens waarboven een overheidstekort in termen van het verdrag ,,buitensporig'' wordt – overschreden of dreigt dat te gebeuren. In Frankrijk en Duitsland is dat in 2003 voor het tweede achtereenvolgende jaar het geval. Hoewel deze landen in aantal geen meerderheid vormen, maken zij naar bbp gemeten rond driekwart uit van het eurogebied.

Naleving van de in Europees verband aangegane verplichtingen inzake de economische politiek is in de eerste plaats in het belang van iedere lidstaat zelf. Of het nu evenwichtige overheidsfinanciën betreft, voorbereiding op de vergrijzing of structurele hervormingen, het zijn zaken die ook nodig zouden zijn bij afwezigheid van een monetaire unie. De gezamenlijke munt voegt hieraan gezamenlijke belangen toe.

De euro is op langere termijn slechts geloofwaardig als de deelnemende landen hun verplichtingen inzake hun economisch beleid nakomen. Zouden zij dat niet doen, dan zijn op den duur onderlinge spanningen en verwijten over en weer onvermijdelijk. Dan zou de gezamenlijke munt geen bindmiddel zijn, maar een splijtzwam.

Mochten lidstaten hun verplichtingen niet nakomen en de geloofwaardigheid van de euro daardoor ondermijnen, dan heeft Nederland geen mogelijkheid om zich aan de gevolgen te onttrekken. Als land dat zelf een stabiele munt heeft opgegeven, heeft Nederland er groot belang bij dat de EMU een succes wordt. Dan moet het doen wat het kan om zulke landen op hun verantwoordelijkheid te wijzen. Natuurlijk is Nederland alleen geloofwaardig als het zelf zijn verplichtingen nakomt.

Met de toetreding van een grote groep nieuwe lidstaten, die de afgelopen halve eeuw in vele opzichten veelal een andere ontwikkeling hebben doorgemaakt dan de huidige leden, wordt de Unie nog heterogener. Dit is een belangrijke bijkomende overweging om groot belang toe te kennen aan de naleving van gemaakte afspraken. Telkens als wordt aanvaard dat die door de huidige leden niet worden nageleefd, wordt een precedent geschapen waarop anderen zich kunnen beroepen.

Dr. A. Szász is oud-directeur van De Nederlandsche Bank en emeritus bijzonder hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is gebaseerd op het vandaag verschenen rapport `De EMU effectief. Voorwaarden voor economische dynamiek en financiële degelijkheid' van de Prof. mr. B.M. Teldersstichting.