New York Times: kleurenblind of rechtvaardig?

De journalistieke affaire rond journalist Jayson Blair heeft veel stof doen opwaaien. Zo ook over de invloed van positieve discriminatie.

Jayson Blair is weg bij The New York Times, zijn onthullende maar gestolen en verzonnen reportages verschijnen niet meer, maar de reputatie van Amerika's belangrijkste krant is nu tien dagen onderwerp van een pijnlijk debat, dat uitwaaiert naar racisme en pogingen af te rekenen met dat verleden.

Het mogelijke medeslachtoffer van de journalistieke bedrogzaak is groter dan één krant: positieve discriminatie als middel om de tijdens generaties slavernij opgelopen achterstand van Afrikaanse Amerikanen in te halen, is opnieuw in een kwaad daglicht gekomen.

Dat heeft meer dan anecdotische betekenis nu het Supreme Court broedt op een zaak met historische implicaties: de toelaatbaarheid van positieve discriminatie bij de selectie en toelating van studenten aan de Universiteit van Michigan. In de loop van juni wordt een uitspraak verwacht die de geschiedenis zal ingaan in het korte rijtje uitspraken van het hoogste Hof die iedere Amerikaanse scholier leert.

Terwijl de hoofdredactie van The New York Times heeft ontkend dat voortrekken op grond van ras enige rol heeft gespeeld bij de snelle promotie van de 27-jarige verslaggever Jayson Blair, grijpen tegenstanders van positieve discriminatie het schandaal aan om aan te tonen wat zij altijd al zeiden: het voortrekken van minderheden (lees: zwarten) benadeelt blanken én schaadt op den duur leden van de groep die in theorie een duwtje in de rug krijgt.

Voor die laatste stelling komt ervaringsbewijs van andere zwarte collega's die het gevoel hebben dat zij nu ook te kijk staan als voorgetrokken eenlingen, token negroes die op de redacties van prestigieuze media mogen werken bij de gratie van hun huidskleur. Terwijl zij vurig hoopten te zijn uitgekozen op grond van hun journalistieke talenten.

Bob Herbert, de enige Afrikaans Amerikaanse top-columnist van The New York Times, citeert een ongenoemde collega die verzucht: ,,Na honderden jaren in Amerika, zijn we nog steeds op proefverlof.'' Herbert rekent boos af met de veel gehoorde veronderstelling dat Jayson Blair zijn kunsten kon blijven uithalen omdat hij als jonge zwarte verslaggever meer kansen kreeg dan anderen: ,,Het idee dat hij bij de Times wegkwam met het journalistieke equivalent van moord, is absurd''.

Het is de vraag of dat realiteit afdoende dekt. De via vele kieren naar buiten gekomen geluiden van collega-redacteuren houden wel degelijk de vraag levend of een blanke 23-jarige met de kwalificaties van Blair zou zijn aangenomen en ondanks een ongebruikelijk groot aantal rectificaties op zijn eerste werk steeds weer kansen had gekregen om bij prominente onderwerpen betrokken te raken.

Daarmee is ook de leiding van de Times onderwerp van kritiek. Hoofdredacteur Howell Raines, een blanke journalist afkomstig uit het vroeger sterk gesegregeerde Alabama, nam de teugels over kort voor 11 september 2001. Zijn voornemen de gezaghebbende krant weer de journalistieke ambitie te geven de eerste én de beste te zijn, kon onmiddellijk in de praktijk worden gebracht.

Tientallen oudere verslaggevers verdwenen uit de kolommen. Jonge vrijgezellen met talent en nieuwshonger schoten omhoog. Als zij dan ook nog zwart waren, bestonden er geen oranje knipperlichten meer. The Washington Post, die twaalf jaar geleden een Pulitzer prijs moest teruggeven na een vergelijkbaar schandaal, wist te melden dat Blair een relatie had met een medewerkster van de fotoredactie die bevriend is met de nieuwe mevrouw Raines. Het foto-detail is belangrijk want de verslaggever, die zelden New York verliet, gebruikte in zijn reportages, die zogenaamd uit het hele land kwamen, vaak visuele details uit ongepubliceerde foto's

Directeur Sulzberger heeft van het begin af aan verklaard dat hij niet was geïnteresseerd in het zoeken van schuldigen, ook niet bij de leiding, maar in brieven van lezers en in de lawine aan commentaren in andere kranten en op de wilde wateren van de Amerikaanse talkradio wordt de geloofwaardigheid van de nationale institutie die The New York Times is, wel degelijk verbonden aan het bijna bewust kleurenblinde `diversity'-beleid van Raines.

Voorstanders van positieve discriminatie prijzen hem en stellen, met een verwijzing naar het nog steeds betrekkelijk geringe aantal zwarten op de redactie, dat het een schande zou zijn als hij anders handelde. Behalve dat hij natuurlijk eerder had moeten reageren op waarschuwingen toen bleek dat Blair keer op keer rare streken uithaalde, zoals na enkele dagen speurwerk komen met spectaculair en compleet verzonnen bewijsmateriaal uit de Washingtonse scherpschutterzaak. De openbare aanklager belde de hoofdredactie erover, waarop Raines Blair een lovende email stuurde.

,,Het ideaal van positieve discriminatie loopt vast op een muur van demografische realiteiten'', schreef de Amerikaanse krant The Wall Street Journal vorige week naar aanleiding van de Blair-affaire. Voorbeeld: de prestigieuze rechtenfaculteit van de Universiteit van Michigan, die op grond van de strikte testresultaten minder dan een handvol zwarten per jaar zou aannemen als zij hun niet extra minderheidspunten gaf.

,,De onwaardigheid van het rondlopen op een campus of kantoor met de verdenking dat je daar alleen bent omdat de toelatingseisen werden verlaagd wegens je huidskleur, interesseert weinigen ter linkerzijde'', schreef de meer conservatief georiënteerde opinie-pagina van de Journal. ,,Maar laten we hopen dat dat de gevolgen van op voorkeursbeleid gebaseerde stigma's wel de belangstelling van het Supreme Court trekken. Want dat Hof moet beslissen of er een grondwettelijke rechtvaardiging is om de kinderen van rechter Thomas [de enige zwarte in het Supreme Court] aan lagere normen te laten voldoen dan die van rechter O'Connor [de vrouwelijke rechter die waarschijnlijk de beslissende stem heeft]''.