Hyena's verscheuren een konijn

Het was nog lang onrustig gisteravond in de foyer van de Salle Debussy in Cannes, na afloop van de voorstelling van The Brown Bunny, de tweede speelfilm van acteur-regisseur Vincent Gallo. De pausen van de filmkritiek stonden in groepjes bij elkaar, schudden mismoedig het hoofd en betoonden zich bijna persoonlijk beledigd dat programmeur Thierry Fremaux het gewaagd had zo'n wanproduct voor de competitie te selecteren.

Misschien was het ook niet zo'n goed idee geweest om een kleine, experimentele underground-road movie in deze arena voor de hyena's te werpen. Ik heb het eerder zien gebeuren op filmfestivals, de rabiate, cynische woede om moedige kleine films die de regels van de goede smaak negeren: Pola X en Irréversible in Cannes, Gummo in Venetië. Het rumoer in de zaal begint met voorzichtig, geïsoleerd grinniken omdat de regisseur, tevens hoofdrolspeler, chef-cameraman, editor, scenarioschrijver en producent zichzelf wel erg lang in beeld houdt. Dan klappen de eerste stoeltjes omhoog, met de vroege weglopers. Vervolgens barst er een hatelijk applaus los als Gallo, een motorcoureur die per auto onderweg is van New Hampshire naar Los Angeles, eerst minutenlang op een zoutvlakte in Utah uit beeld rijdt en vervolgens tergend langzaam tot vlak voor de statische camera terugkeert. Het melodramatische slot wordt begroet met luid honen: het bruine konijn, symbool van de vergeefse liefde van de hoofdpersoon, duikt op bij het wrak van zijn verongelukte auto. En toch verraadt de rafelige, intens emotionele, radicale beeldpoëzie van Gallo meer gevoel voor cinema dan Lars von Triers Dogville, om maar eens een grotendeels wel toegejuichte film van dit jaar te noemen. Had de regisseur Philippe Garrel of Stan Brakhage geheten, in plaats van Vincent Gallo, en was de film in een klein zaaltje in een parallelsectie gedraaid, dan was er meer coulance geweest voor de door een smerige voorruit gedraaide lange sequenties van langsvliedende landschappen en een al even eindeloze, expliciete seksscène. Gallo had een paar jaar geleden veel succes in Rotterdam met zijn veel toegankelijker debuutfilm Buffalo 66; het zou ook volgend jaar de ideale plek zijn voor een voorzichtige rehabilitatie van de nu ten dode opgeschreven film.

Ook Michael Haneke had het niet gemakkelijk na de vertoning buiten competitie van Le temps du loup, maar de Oostenrijkse provocateur is sinds Funny Games wel wat gewend. Er was zelfs een voorzichtig applaudisserende minderheid, die de film over een belaagd gezin op vakantie (het begin lijkt wel wat op de ontknoping van Funny Games) wel kon waarderen. Na in hun vakantiewoning te zijn belaagd door een in aanzienlijk mindere welstand verkerend ander gezin, wordt de vader gedood en slaan moeder Isabelle Huppert en haar twee kinderen op de vlucht. Ze blijken zich te bevinden in een door een niet nader gespecificeerde milieuramp getroffen gebied. Rondtrekkende ontheemden plegen ruilhandel en plunderen hier en daar, zodat de burgerlijke normen en waarden op typische Haneke-wijze ontaarden. Inhoudelijk lijkt het verhaal nogal op dat van André Téchinés eerder in competitie vertoonde film Les égarés, al speelt die zich af in de algemeen erkende barbarij van de Tweede Wereldoorlog.