Geef `zij-instromers' behoorlijke opleiding

Het ministerie van Onderwijs lokt leerkrachten buiten de sfeer van het onderwijs de scholen in, maar bekommert zich verder niet meer om hen een schandaal, vindt Robbert Roosenboom.

`Zij-instromers' worden ze genoemd. De mannen en vrouwen die het bedrijfsleven verruilen voor het klaslokaal. Volgens het ministerie van Onderwijs vormen zij dé oplossing voor het probleem van het lerarentekort. Maar zij-instromers het onderwijs binnen halen is één. Ze voor het onderwijs behouden is van een heel andere orde.

Met de recente maatregel van minister Van der Hoeven – zij-instromers mogen er vijf jaar over doen om hun lesbevoegdheid te halen – wordt impiciet erkend hoe moeilijk degenen die zonder leservaring voor een klas gaan staan, het hebben om een volwaardig docent te worden.

De `Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs' uit februari 2000 voorzag in een periode van twee jaar. Tot nu toe heeft dat weinig bevoegde leraren opgeleverd. De maatregel van Van der Hoeven houdt er weliswaar rekening mee dat het zij-instromers zelden lukt om de klus in twee jaar te klaren, maar zegt niets over de omstandigheden die daaraan ten grondslag liggen. En die omstandigheden hebben alles te maken met materiële voorwaarden.

Zij-instromers zijn op 16 april in deze krant omschreven als ,,mensen uit het bedrijfsleven die met behoud van hun oude salaris voor de klas komen''. Deze omschrijving laat in het midden wie tekent voor het behoud van dat oude salaris. Dat zijn de scholen. Dit is geen probleem zolang dat salaris evenveel kan zijn als wat aan een opgeleide docent uitbetaald zou worden, én zolang die scholen de intredende docent voor dat salaris evenveel lessen kunnen laten geven als een opgeleide docent. Het laat zich raden dat bij zij-instromers het eerste vaak en het tweede vrijwel altijd onmogelijk is.

Dat zou nog niet eens zo'n probleem zijn als het ministerie van Onderwijs scholen die zij-instromers aannemen, tegemoet zou komen in de financiering van de salariskosten en in de begeleiding van het traject dat een zij-instromer aflegt, vanaf zijn intrede in het onderwijs tot aan het behalen van zijn bevoegdheid. Maar dat doet het ministerie niet.

Begeleiders en coaches zien dagelijks met lede ogen aan hoe weinig er mogelijk is om zij-instromers een opleiding te bieden. Aan de lerarenopleidingen ligt het niet. Die bieden maat-op-maat-programma's met betrekkelijk individuele leerwegen. Maar wat geen enkele lerarenopleiding kan bieden is een opleiding die de docent-in-spe geen tijd kost. En hier wringt de schoen, want de opleidingstijd gaat af van de tijd die een zij-instromer voor de klas staat, en slechts die laatste tijd kan door een werkgever bekostigd worden.

Een volledige baan in het voortgezet onderwijs behelst 26 lesuren. De gemiddelde beginnende docent heeft aan een betrekking van zestien lesuren een volledige weektaak. Een jonge beginner accepteert noodgedwongen veelal deze deeltijdbetrekking en dus het evenredig lage salaris. Ieder ander bedrijf dan een onderwijsinstelling geeft een beginnende werknemer een voltijdsaanstelling en accepteert dat deze beginner minder productief is dan zijn meer ervaren collega's.

Zij-instromers opteren meestal voor een betrekking die op papier weliswaar iets onder die van een volledige baan blijft, maar die hun in de praktijk binnen de kortste keren boven het hoofd groeit. Directies van scholen wijzen hen weliswaar op dit risico, maar dan speelt de salariskwestie op: het gezin van de zij-instromer moet van een bepaald inkomen verzekerd blijven, de scholen keren slechts salaris uit voor lessen die daadwerkelijk gegeven worden, en het ministerie bekostigt het verschil hiertussen niet. Van het ministerie mag de zij-instromer nu wel in plaats van twee jaar vijf jaar ploeteren.

De beste manier om zij-instromers tegemoet te komen is hun een training aan te bieden in datgene waar zij, bij al hun kwaliteiten, nog niet goed in zijn: lesgeven. Een goede leraar zijn is moeilijk, maar het is te leren. Slechts 10 procent is een natuurtalent, 80 procent kan het leren en 10 procent leert het nooit. De enige toelaatbare varianten op de klassieke opleiding tot docent zijn die waarin betaald werk en opleiding samengaan, niet die waarin betaald werk de opleiding verdringt. Dit laatste leidt onherroepelijk tot uitval.

Wanneer beleid uitblijft ter ondersteuning van de werving van zij-instromers, wordt dit het grote schandaal van het gehele project van het ministerie van Onderwijs: wél mensen het onderwijs inlokken, maar zich er verder niet om bekommeren en scholen er financieel voor laten opdraaien. Het ministerie sluit de ogen voor de uittocht van een groot deel van hen, nog steeds onbevoegd, wellicht gedesillusioneerd en gefrustreerd.

Leraren zijn specialisten – al ziet hun vak er soms bedrieglijk eenvoudig uit – en iedereen die specialist wil worden, gunt zichzelf een bepaalde periode om zijn specialisme onder de knie te krijgen. Leren is doen én je rustig bezinnen op wat je doet. Dat moet ook de zij-instromer gegund zijn.

Het volgen van een volwaardige opleiding tot docent is de beste waarborg tegen gefrustreerd afhaken. Die opleiding hoeft niet langer dan twee jaar te duren, als de zij-instromers hun werk op school in omvang zouden kunnen beperken en met geregeld bezoek aan een educatieve opleiding kunnen combineren.

Alleen zo zijn zij-instromers voor het onderwijs te behouden, en ik daag de minister uit met meer dan enkele zij-instromers op de proppen te komen die het anderszins hebben gered.

Robbert Roosenboom geeft les aan de Katholieke Scholengemeenschap De Breul in Zeist en begeleidt op zijn school nieuwe docenten. Hij schrijft dit artikel mede namens een twintigtal collega's.