Door de tijd

Museumdepots en archieven puilen uit van de meest fantastische dingen. Waarom blijkt het dan toch telkens o zo moeilijk om de geschiedenis aanschouwelijk te maken? Waarom worstelt een hele `erfgoedsector' tegenwoordig met de presentatie van `het verleden' aan een publiek dat liever winkelt, een pretpark bezoekt of door oernatuur struint – en waarom moeten die mensen eigenlijk zo nodig in het museum komen, als ze liever iets anders doen?

In het Amsterdams Gemeentearchief is nu een overzichtstentoonstelling waar je onder meer een 446 jaar oude brief van Calvijn kunt zien, het notitieboekje van kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940), en wel vijftig film- en geluidsfragmenten die het alleen al de moeite waard maken om er heen te gaan. Zo is er een hilarisch filmpje uit 1931, waarin een arm, dakloos gezin door keurige politieagenten naar Jonker's Nachtasyl wordt verwezen, waar zij in grote nachthemden dankbaar onder de wol gaan.

Maar als een molensteen hangt aan de tentoonstelling een omslachtig computersysteem. Bezoekers worden geacht ,,met een handcomputer door de tijd'' te gaan. Daarvoor moeten ze eerst niet zozeer door de tijd als wel door een instructieprocedure, en daarna een ontvangstbewijs tekenen, want handcomputers zijn peperduur. Met het toestel hangend om hun nek moeten ze binnen, als ze iets over een voorwerp willen weten, met een plastic stift op een schermpje minstens vijf dingen aan- en intikken voordat de eerste toelichting opdoemt. Tenminste, een deel daarvan. Als ze de priegelige lettertjes kunnen lezen en ze willen meer, moeten ze nog twee keer kiezen en tikken voor het vervolg. Bij de honderden tentoonstellingsobjecten zelf zijn geen bijschriften te vinden, alleen nummers. Het zijn documenten, boeken, foto's, niet echt zaken die vanzelf de blik aanzuigen. Dus eerst turen, dan tikken, dan lezen, dan weer kijken is het devies. Er is ook een bijschriftenlijst op papier, maar daarin wordt helemaal niets uitgelegd.

De hoop een jong en fris publiek te lokken is de enige denkbare reden om die malle handcomputers aan te bieden. Maar de overkill aan techniek, die je wel meer ziet in historische musea, werkt beklemmend. In plaats van rustig rond te kijken moet je steeds iets doen, je wordt bedild, gestuurd, bevoogd. Alles gaat te langzaam. Zouden er echt mensen zijn die dat leuker vinden dan een handig gratis tekstboekje?

In Londen, onder de grote koepel van het British Museum, zag ik onlangs een andere vorm van hands-on contact met historische voorwerpen. Aan een tafeltje stond een mevrouw met voor zich, als een ouderwetse straatventer, een doos met vakjes waarin een tiental dingen lag. Een Romeinse zilveren munt, iets van schelpjes uit Polynesië, een pre-Columbiaans beeldje. Bezoekers mochten die vastpakken en van alle kanten bekijken, terwijl de mevrouw er desgewenst iets over vertelde. Zij deden dat een beetje eerbiedig, geïnteresseerd. Geen bewaking te zien, midden in het zeer beveiligde Londen. Het was een ontroerend tafereeltje in de oude leeszaal, waar trouwens ook tientallen computers stonden.

Misschien is zoiets in al zijn eenvoud wel een veel beter idee. Er is nu eenmaal een groot verschil tussen zelf een voorwerp aanraken, en op een computer informatie zoeken. Dat laatste kun je thuis doen, of in de bibliotheek (het Amsterdams Gemeentearchief heeft een fantastische website) – voor het eerste heb je de dingen zelf nodig. Niet met een handcomputer, maar met katoenen Boudewijn-Büchhandschoentjes door de tijd! Zelf voelen hoe stijf een middeleeuws gebedenboek voelt, en hoe glad een ivoren waaier. Dingen die te kostbaar zijn om aan te raken leg je in een vitrine met een duidelijk leesbaar tekstbord ernaast.