Uitspraak zet beleggers op achterstand

Particuliere beleggers die geld hebben verloren tijdens de internethype krijgen het moeilijker om dat te verhalen op hun vermogensbeheerders. Banken die voor onervaren beleggers zwaar in technologieaandelen hebben geïnvesteerd, hebben daarmee niet meteen hun zorgplicht verzaakt.

Dat blijkt uit een recente uitspraak van de commissie van beroep van het Dutch Securities Institute (DSI), het keurmerkinstituut voor de effectenbranche. De bindende beslissing van de beroepscommissie van DSI heeft volgens effectenexperts verstrekkende gevolgen. ,,Deze uitspraak is slecht nieuws voor de particuliere belegger'', zegt T. Loonen, die promotieonderzoek doet naar zorgplicht. Ook advocaat W. Schonewille, die vaak particuliere beleggers bijstaat, komt tot die conclusie.

De afgelopen jaren zijn honderden beleggers naar de klachtencommissie van DSI gestapt, nadat zij na het uiteenspatten van de internethype forse verliezen hadden geleden. De bank die hen adviseerde flink in technologieaandelen te stappen, wijzen zij daarbij steevast als schuldige aan. De vermogensbeheerder moet er onder meer voor zorgen dat de spreiding van de beleggingsportefeuille van zijn cliënten evenwichtig is en aansluit bij het risicoprofiel van de klant.

Tot nu toe heeft de klachtencommissie de lijn aangehouden dat een portefeuille, die voor maximaal 30 procent uit technologieaandelen bestond, de toets der kritiek kon doorstaan. Maar deze lijn is met een hogerberoepsuitspraak van afgelopen maand doorbroken.

In het dossier gaat het om een belegger die in januari 2000 een overeenkomst aanging met een vermogensbeheerder. Hij bracht 500.000 euro (1,1 miljoen gulden) in en maakte daarmee zijn debuut als particulier op het Damrak. Tien maanden later was er nog maar 181.000 euro over van zijn oorspronkelijke vermogen. De gedupeerde belegger eiste schadevergoeding voor zijn verlies.

De klachtencommissie constateerde dat op een gegeven moment de portefeuille voor 67 procent uit technologieaandelen bestond. De portefeuille bestond per saldo voor 37 procent te veel uit technologieaandelen, luidde de conclusie. Kortom: de spreiding was niet evenwichtig. De particuliere belegger kreeg gelijk en zijn schadevergoeding van 140.000 euro.

Maar de – in de uitspraak niet bij naam genoemde – bank ging tegen de beslissing in beroep. De commissie van beroep van DSI kwam tot de conclusie dat er onder vermogensbeheerders verschillende opvattingen kunnen bestaan over de wijze van beleggen. Er kan niet worden gezegd dat de ene opvatting juist is en de andere niet. Iedereen hanteert verschillende definities voor bijvoorbeeld defensief beleggen, de juiste spreiding en de mate van risico. Bovendien constateerde de commissie dat in de portefeuille, met onder meer Getronics, Ordina, Worldcom, ook een aantal mediafondsen (Vivendi, VNU) zat. Hierdoor kwam het percentage `echte' technonologieaandelen per saldo eigenlijk uit op 34 procent. De commissie stelde dat gelet op de ,,bestaande inzichten'' in 2000 en 2001 een weging van 34 procent in technologieaandelen niet blijk geeft van een onjuist beleggingsbeleid. En daarmee werd de particuliere belegger alsnog in het ongelijk gesteld. T. Loonen: ,,Het college van beroep stelt dat beleggingsmethodieken en spreidingen binnen risicoprofiel meerdere vormen kent. Toetsing van redelijkheid en bekwaamheid dient in het licht van de toen gangbare mores te worden gezien. Vraag is wat gangbaar is? Juist een vermogensbeheerder dient zich zoveel mogelijk rationeel op te stellen, ook tijdens een hype.''

DSI: pagina 18