OM krijgt jihad-zaak niet hard

Een moedige poging deed de politie om het netwerk van moslimextremisten rond Eindhoven in kaart te brengen. Maar het is bij pogen gebleven, zegt de officier van justitie.

Aan het einde van het requisitoir onstaat er opwinding onder de gelovigen op de publieke tribune. Het zijn lage straffen, die officier van justitie Valente eist tegen twaalf vermeende moslimextremisten rondom de Al Fourqaan moskee in Eindhoven. Buiten, voor het Rotterdamse gerechtsgebouw is de sfeer even later uitgelaten. Tegen drie verdachten is de eis zó laag dat de rechtbank ze onmiddellijk vrijlaat. ,,Ik ga Khaled omhélzen'', roept een Marokkaanse jongen op hippe boksschoenen. ,,Ik kom niet uit Eindhoven'', zegt een meisje in een streng-grijze hijaab. ,,Maar ik voel me zo betrókken.''

De lage eisen kwamen niet helemaal onverwachts. Tijdens de eerste week van het proces tegen twaalf verdachten die zich zouden hebben bezig gehouden met ondersteunen van de jihad was duidelijk geworden dat het politiedossier weinig hard bewijs bevatte. De leiders van het rechercheteam gingen tijdens hun verhoor niet of nauwelijks in op concrete vragen. Eén verbalisant raakte tijdens zijn optreden in de rechtszaal zó ,,geblokkeerd'' dat hij helemaal niet meer uit zijn woorden kwam.

Vrijdag gaf officier van justitie Valente al een indicatie van zijn eigen inschatting van het dossier. Bij verschillende verdachten, kondigde hij aan, zou hij vrijspraak eisen voor de beschuldiging dat zij zich schuldig hadden gemaakt aan het leveren van `hulp aan de vijand' – de Talibaan en Al-Qaeda ten tijde van oorlog of een gewapend conflict. De beschuldiging dat de twaalf lid waren geweest van een criminele organisatie die het `oogmerk' had de vijand te ondersteunen, bijvoorbeeld door het rekruteren van jihad-strijders in Nederland, hield de officier overeind. De ernst van die beschuldiging weerhield hem van ,,de regelmatig opkomende neiging om op te geven'', zei hij gisteren in zijn pleidooi.

Dit weekeinde moet Valente tot de conclusie zijn gekomen dat ook die aanklacht niet in alle gevallen kon standhouden. Want hoewel de officier gisteren uitvoerig uiteenzette dat er er niet veel nodig is om te kunnen spreken van een `duurzaam crimineel samenwerkingsverband', achtte hij de deelname van twee verdachten aan dit samenwerkingsverband niet bewezen. Khalil al-A. en Moustafa B. hoorden zes maanden gevangenisstraf tegen zich eisen wegens het bezit van valse papieren. Aangezien ze al langer in voorarrest zaten werden ze, samen met medeverdachten Khaled el-M. en Zouhari T., door de rechtbank onmiddellijk in vrijheid gesteld.

In zijn requisitoir nam Valente op een opvallende manier afstand van het politiedossier. Het rechercheteam meende in de twaalf verdachten een terroristische organisatie te ontwaren, gegroepeerd in vijf `cellen', maar de officier van justitie wilde niet eens het woord `netwerk' in de mond nemen. Valente sprak van een ,,moedige poging'' van de politie om de samenwerking tussen de verdachten in kaart te brengen. Uiteindelijk, zo gaf hij gisteren toe, was het bij een poging gebleven.

Opvallend was ook de manier waarop Valente sprak over de informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in het dossier. Elf van de twaalf verdachten werden opgepakt nadat de AIVD hen in een `ambtsbericht' had aangewezen als `terroristen'. De beschuldigingen van de dienst zijn echter in het navolgende politie-onderzoek in veel gevallen niet hard gemaakt, liet de officier in zijn requisitoir blijken. ,,Misschien bent u gewoon een zeer gelovig man'', zei Valente tegen Khaled el-M., volgens de AIVD de `partij-ideoloog' van de organisatie. ,,Misschien heeft de AIVD gelijk'', zei hij tegen Al-A., die deel zou hebben uitgemaakt van een `cel' van duikers. ,,Maar ik heb het niet gezien.''

Het proces tegen de twaalf roept daarmee opnieuw de vraag op welke rol intelligence mag spelen in strafrechtelijk onderzoek. Vorig jaar sprak de rechtbank in Rotterdam vier vermeende moslimterroristen vrij die eveneens op basis van AIVD-informatie waren opgepakt. De rechtbank vond dat onrechtmatig, maar liet óók doorschemeren dat het dossier te weinig bewijs bevatte voor de betrokkenheid van de vier bij het plannen van een bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs. In de `Eindhovense' zaak had justitie nóg een probleem: de vraag of het rekruteren van strijders voor de jihad eigenlijk wel strafbaar is. De officier had alleen al om vast te stellen dat Nederland vanaf 10 oktober in oorlog was met Al-Qaeda meer dan een uur nodig – anders had hij het wetsartikel dat `hulp aan de vijand' verbiedt niet eens in stelling kunnen brengen.