Nederland voert heilloos en schadelijk Europees beleid

De Nederlandse regering dreigt zich met haar opstelling in de Europese Conventie in een isolement te plaatsen. Den Haag moet de periferie van de besluitvorming verlaten en mee gaan onderhandelen, meent J.Q.Th. Rood.

Nederland worstelt met de Europese Conventie – het gezelschap dat zich onder leiding van de Franse oud-president Giscard d'Estaing bezighoudt met de toekomstige inrichting van de Europese Unie. In eerste instantie werd deze exercitie afgedaan als een niet-serieuze praatclub. Vooral het tweede paarse kabinet gaf daarmee bij monde van de verantwoordelijke bewindslieden blijk van een ernstige onderschatting van hetgeen via de Europese Conventie in gang gezet zou kunnen worden, zowel ten goede als ten kwade. Nu dit gremium na meer dan een jaar van overleg via de publicatie van voorstellen over de rol en positie van de Europese instellingen in de beslissende fase van de beraadslagingen is aanbeland, lijkt Den Haag van de weeromstuit naar het andere uiterste te zijn doorgeschoten.

Daartoe opgeroepen door politici van vooral liberale huize, dreigt Nederland voorstellen voor een vaste voorzitter van de Europese Raad te blokkeren. Ook suggesties om de Europese Commissie substantieel te verkleinen worden door Den Haag afgewezen. Zelfs wordt opgeroepen daartoe het veto in stelling te brengen. Nederland staat pal voor de belangen van de kleine lidstaten tegenover de machtsaspiraties van de groten. Dat is het beeld dat de buitenwereld de laatste maanden zal hebben gekregen. Van enige onderschatting van het belang van de Conventie kan in ieder geval niet langer worden gesproken. De vraag is echter of er geen sprake is van overschatting van de eigen positie.

Nu zou de harde Nederlandse opstelling kunnen worden afgedaan als een politiek bedrijfsongeval; een onvermijdelijk gevolg van de langdurige periode van ontbrekend binnenlands politiek leiderschap. Onder die omstandigheden bepaalt degene die het hardst roept het beleid, ook richting Brussel. Die verklaring wint aan kracht als bedacht wordt dat reeds onder de paarse kabinetten de door de VVD uitgedragen boodschap van het Nederlands financieel eigen belang en de noodzaak de eigen machtspositie tegenover de grote lidstaten te beschermen, alle ruimte kreeg bij gebrek aan een ondubbelzinnig Europees beleid. Verdeeld tussen het pragmatisme van de PvdA, de scepsis van de VVD en het idealisme van D66 kon dat Europees beleid niet anders dan alles tegelijk zijn, maar gegeven het gewicht van de financiële factor toch vooral afstandelijk ten opzichte van de Unie. In dit opzicht belooft het nieuwe kabinet niet veel beter.

Maar achter deze opstelling gaan klemmender dilemma's schuil. Ten eerste onderstreept de Europese Conventie hoezeer de Europese integratie de fase van de economische eenwording voorbij is, en de Unie derhalve een politiek project is geworden. En van dat politieke project Europa heeft Nederland nooit zoveel moeten hebben. Leuk om over te filosoferen zolang het niet aan de orde was, maar lastig als het wel op de agenda verschijnt. Zeker, en daar is het tweede probleem, als in deze fase de verhoudingen tussen de lidstaten onderling ter discussie komen te staan. Dan blijkt het Haagse zelfbeeld van grotere lidstaat plotseling niet meer te verkopen. Te klein voor het tafellaken en te groot voor het servet, kortom, tussen stoel en tafel, houdt men dan krampachtig vast aan wat men heeft: eigen voorzitterschap en eigen commissaris. Met als paradoxaal gevolg dat waar men niet tot kleinen wenst te worden gerekend, Nederland door eigen optreden tot aanvoerder van de kleinen is geworden in hun verzet tegen de groten.

Daarmee is Nederland in een positie beland die bij voorbaat heilloos en schadelijk is, zowel voor de Unie als voor Nederland zelve. De grootste schade daarbij is dat binnen de Unie de verhoudingen op scherp worden gezet op een scheidslijn – groot versus klein – die in de dagelijkse praktijk van de besluitvorming van ondergeschikte betekenis is en dat zou moeten blijven. Daarbij zou op z'n minst ook bedacht kunnen worden dat de Europese integratie bij uitstek de kleine lidstaten tot op heden geen windeieren heeft gelegd, zoals eerder terecht door Guillaume Durand en Max Kohnstamm is opgemerkt (Opiniepagina, 14 mei). Dat grote lidstaten bij een uitbreiding met vooral kleine landen dan ook eens hun knopen gaan tellen, hoeft vervolgens niet te verbazen. Schade zal ook zijn dat bij onvoldoende oog voor de positie van de grote landen, precies zal gebeuren wat de kleine landen het meeste vrezen: de groten gaan al dan niet gezamenlijk hun eigen gang.

De Nederlandse opstelling zal uiteindelijk ook heilloos blijken te zijn. Zo is het voorstel voor een vaste voorzitter van de Europese Raad niet van vandaag. De grote landen bepleiten dit al langere tijd. Daarmee staat een politiek feit, dat nog extra gewicht heeft gekregen door de steun vanuit het Conventie-presidium. Nederland kan zich daarbij ook niet rijk rekenen aan de onvoorwaardelijke steun van de andere kleinen. Zweden en Denemarken zijn op dit punt nooit op onze hand geweest. Griekenland dreigt over te lopen. En zelfs van de steun van de Benelux-partners kan men niet zeker zijn. Kortom, isolement dreigt; een weinig benijdenswaardige positie in de periferie van de besluitvorming. Over klein gesproken!

Wat dan wel te doen? Allereerst moet Nederland zich losmaken van zijn fixatie op het vaste voorzitterschap en het vraagstuk van institutionele hervorming in breder perspectief ziet. Daarbij is evident dat aan een vast voorzitterschap risico's verbonden zijn. Maar deze betreffen niet het gevaar dat zo'n voorzitter gemonopoliseerd zal worden door de grote landen. Sterker, gegeven de stemverhoudingen maakt een kandidaat uit een klein land meer kans. Bovendien, de grote landen zullen meer last hebben van een sterke voorzitter dan de kleine lidstaten. Nee, het gevaar zit in de hoek van de Europese Commissie. Een vaste voorzitter van de Europese raad betekent het ontstaan van een parallelle intergouvernementele structuur naast de Commissie, en is als zodanig bedreigend voor de positie van de Europese Commissie en haar voorzitter.

De Nederlandse inzet zal er dan ook op gericht dienen te zijn om met acceptatie van een vaste voorzitter van de Europese Raad de bevoegdheden van deze functionaris zo in te richten dat deze zo min mogelijk bedreigend is voor de positie van de Europese Commissie. Dat betekent dat zo'n voorzitter toch voornamelijk tot taak zou moeten hebben om de vergaderingen van de Europese Raad in goede banen te leiden, en niet meer dan dat. In ruil voor deze concessie zal Nederland een verdere versterking van de positie van de Europese Commissie moeten bedingen, zowel wat betreft haar uitvoerende bevoegdheden als haar democratische legitimatie.

Een verkiezing van de voorzitter van de Commissie door het Europese Parlement lijkt dan in de rede te liggen, zeker teneinde zijn positie ten opzichte van de raadsvoorzitter te versterken. Juist op het punt van de Commissie is het dan ook betreurenswaardig dat Nederland ook in de laatste voorstellen vasthoudt aan het beginsel van één commissaris per lidstaat. Weliswaar wordt dat beginsel verzacht door een onderscheid tussen A- en B-commissarissen te maken. Maar een grote commissie met daarbinnen een hiërarchie is zo'n beetje het slechtste van alle werelden. Veel beter ware het als Nederland zich uitsprak voor een kleine Europese Commissie, omdat dat op termijn de beste waarborg vormt voor onafhankelijkheid en slagvaardigheid.

J.Q.Th. Rood is verbonden aan het Instituut Clingendael. Hij neemt deel aan het nieuwscollege over Nederland en de Conventie, donderdag.