Korting Sociale Dienst van de baan

De gemeente Amsterdam hoeft de strafkorting over het jaar 1994 van 3 miljoen euro, die de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid had opgelegd aan de lokale Sociale Dienst, niet te betalen. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep besloten.

De strafkortingen werden opgelegd omdat volgens het ministerie bij de Sociale Dienst Amsterdam tekortkomingen waren geconstateerd bij de uitvoering van onder meer de algemene bijstandswet. In 1996 is een strafkorting van 6.601.880 gulden opgelegd over het jaar 1994. De gemeente heeft dit besluit aangevochten en is nu in het gelijk gesteld. Het ministerie moet het geweigerde bedrag alsnog betalen.

Volgens de Centrale Raad van Beroep heeft het ministerie verzuimd per onderzocht dossier aannemelijk te maken dat er sprake is van ,,een onjuiste wet- en regelgeving dan wel een structurele tekortkoming in de uitvoering van de Algemene Bijstands Wet (ABW)''.

Uit een door de gemeente uitgevoerde contra-expertise bleek dat de Sociale Dienst bij de uitvoering van de doelmatigheidsonderzoeken en het debiteurenbeheer binnen de toegestane foutmarge bleef. Na een juridische procedure van meer dan zeven jaar blijkt nu definitief dat de strafkorting onterecht was.

De uitspraak is van groot belang voor de beoordeling van de strafkorting die voor andere jaren is opgelegd. Zo is er ook een korting van 1,5 miljoen euro (3.191.011 gulden) over 1995 opgelegd. Hierover was afgesproken dat de minister de beslissing op het bezwaar van de gemeente zou uitstellen tot na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over 1994. Met deze uitspraak heeft de gemeente er vertrouwen in dat dit ook positief zal uitpakken voor Amsterdam.

Ook tegen andere strafkortingen heeft Amsterdam beroep ingesteld. Zo kreeg de gemeente over het jaar 2000 een korting van 22,8 miljoen euro. Hoewel de situatie niet volkomen vergelijkbaar is met die in 1994 zijn er wel parallellen, zegt een woordvoerder van de gemeente.