Een beetje meer inflatie in de wereld kan geen kwaad

,,In Amerika en Duitsland is het risico op deflatie groter dan ooit sinds de jaren dertig.'' En uit de geschiedenis blijkt, betoogt het Britse weekblad The Economist, dat deflatie ,,veel meer schade aanricht dan inflatie''. Je kunt je zelfs afvragen, meent het blad, of de centrale banken het risico op deflatie niet hebben vergroot ,,door te mikken op een nodeloos laag inflatieniveau''.

Immers, wetenschappelijk is er heel wat te zeggen voor het gezichtspunt dat ,,een beetje inflatie beter is voor groei dan helemaal geen''. Uit een onderzoek van het Internationaal Monetair Fonds blijkt bijvoorbeeld dat het risico op deflatie aanzienlijk groter wordt zodra de inflatie zakt tot onder de twee procent – volgens de Europese Centrale Bank het hoogste niveau dat wenselijk is. Het blad meent dat dit veel te rigide is. Immers, door de uitbreiding van de Europese Unie ontstaat het risico dat de inflatie in Duitsland omslaat in deflatie. En dan wordt de situatie wel heel erg moeilijk, want de Duitse werknemers accepteren bevriezing van hun loon bij een inflatie van drie procent gemakkelijker dan drie procent loonsverlaging bij nul procent inflatie.

Het blad is overigens wel zo eerlijk om te erkennen dat het zo'n tien jaar geleden nog een groot voorstander was van een zo laag mogelijke inflatie. Maar nu het voorbeeld van Japan zo duidelijk laat zien wat deflatie betekent, wordt het tijd dat de centrale banken de strijd tegen de inflatie opgeven. De ECB gaat daarin volgens het blad niet ver genoeg.

Het Duitse weekblad Die Zeit juicht het toe dat ,,de centrale banken leren van inflatie te houden''. Het debat over deflatie heeft volgens het blad ,,iets bevrijdends. Het maakt een eind aan de overschatting van prijsstabiliteit als economisch doel. Het eerste doel van economisch beleid moet verhoging van de welvaart zijn, gevolgd door werk voor iedereen. Pas daarna komt zoiets als prijsstabilteit aan bod''.

Evenals The Economist meent Die Zeit dat werknemers inflatie en bevriezing van loon eerder accepteren dan deflatie met loonsverlaging. Maar het grootste gevaar van deflatie is volgens het blad dat het financiële systeem het laat afweten, zodat de centrale banken niets meer kunnen uitrichten met traditionele middelen als renteverlaging. Nul procent inflatie is volgens het blad ,,te ambitieus'', omdat deflatie dan te dichtbij komt. Dat de ECB nu streeft naar een inflatie van bijna twee procent is ,,te eng bemeten', meent het blad.

,,Als je het uiteenspatten van Japans economische zeepbel zou kunnen vergelijken met de ontploffing van de atoombom op Hiroshima, dan is deflatie de straling die er op volgt'', concludeert de Financial Times in een achtergrondverhaal over wat deflatie in Japan betekent in de praktijk van alledag. Sinds het midden van de jaren negentig is door de monetaire autoriteiten bijna 300 miljard euro in omloop gebracht om de deflatie de baas te worden, het equivalent van het bbp van België. Dat geld is volgens het blad eenvoudigweg in het niets verdwenen. Dat wil zeggen door de Japanners uit rationele angst voor de toekomst gestopt in matrassen, ijskasten en keukenkastjes.

En in geldkluisjes. Geen wonder dat Kumahira, de grootste Japanse producent van geldkistjes en brandkasten, goede zaken doet. De klanten klagen er over dat zijn geldkistjes nog niet groot genoeg zijn: er kan maar 100 miljoen yen in. De banken zijn volgens het blad verworden tot gigantische warenhuizen gevuld met particuliere kluisjes, bediend door echte robots. En dat zal nog wel even zo blijven. Want iedereen die in 1995 pakweg 100.000 yen in de matras heeft verstopt, heeft nu voor 108.000 yen koopkracht. Hetzelfde bedrag zou, belegd op de beurs van Tokio, geslonken zijn tot 43.000 yen. Stijgende prijzen zijn vervelend, dalende prijzen zijn erger, want de consument consumeert niet. En de stagnatie houdt aan.

De almaar sterker wordende euro begint volgens de Financial Times nu ook slachtoffers te maken. De Europese autofabrikanten blijven achter bij de Japanse en Amerikaanse concurrenten, en de beleggers laten de sector in de steek. De Europese autosector als geheel is vorige week 4,3 procent in beurswaarde gedaald. Met DaimlerChrysler gaat het nog wel, omdat de activiteiten van Chrysler helemaal in dollars worden berekend, maar het Duitse Porsche, BMW en Volkswagen hebben zwaar te lijden van de dure euro.

De Amerikaanse autoproducenten kunnen daarvan profiteren, maar het is nog maar de vraag of de kwaliteit van hun producten kan concurreren met die van de Europese en Japanse fabrikanten, schrijft het Amerikaanse weekblad BusinessWeek. Gedurende de eerste drie maanden na aanschaf is de kwaliteit van de Buicks en de Fords vergelijkbaar met die van de concurrenten uit Europa en Japan, maar op wat langere termijn schieten ze snel te kort.

Bij Toyota moeten ze wel uitkijken, schrijft het Amerikaanse maandblad Business 2.0. Want de Toyota-koper is gemiddeld 48 jaar oud, schrijft het blad in een artikel over de marketing van de Scion, het eerste nieuwe Toyota-type sinds veertien jaar. Toyota had de boodschap al begrepen. De Japanse fabrikant mikt met de Scion op de doelgroep die in de marketing de Millennials heten, 71 miljoen Amerikanen tussen de 9 en 23 jaar.