De dure lessen van roerig Atjeh

Het lange en tragische verhaal van Atjeh krijgt een weinig hoopgevend vervolg, nu Indonesische militairen er zijn binnengetrokken. De bevolking kijkt andermaal angstig toe.

Het decreet werd stipt om 00.00 uur voorgelezen door de militaire secretaris van de president, een tweesterrengeneraal. De eerste zin was meteen de bottom line: ,,Op het gehele grondgebied van de provincie Atjeh wordt met onmiddellijke ingang de militaire noodtoestand van kracht''. Dat president Megawati dit niet zelf voorlas, was gisteren voer voor journalistieke bespiegelingen. Dacht ze dat dit niet goed was voor haar moederimago? Vond ze het eigenlijk slecht nieuws?

De teerling was geworpen en dat zou na weken van oplopende spanning, militaire dreigementen, troepenverplaatsingen, keer op keer vooruitgeschoven deadlines en onderhandelingen op de valreep zowel spelers als toeschouwers een gevoel van opluchting moeten geven. In werkelijkheid houdt menigeen zijn hart vast.

De hardliners in de landmacht trekken aan het langste eind. Zij krijgen, samen met andere krijgsmachtonderdelen en de politie, nagenoeg de vrije hand in Atjeh en beginnen aan de grootste operatie sinds de inval van 1975 in Oost-Timor. De landmachtchef, generaal Ryamizard Ryacudu – bewonderaars noemen hem om zijn initialen Rocky Rambo – is zichtbaar in zijn element. Zaterdag het slotgesprek in Tokio moest nog beginnen – liet hij zich interviewen door een tv-station. Met de armen over elkaar, de mouwen van zijn camouflagehemd opgerold, straalde hij maar één boodschap uit: `Kunnen we nu eindelijk beginnen?' Een hoger belang vereiste echter dat Indonesië de wereld lees: de geldschieters – nog een laatste blijk van goede wil gaf. ,,Ik snap dat niet'', zei Ryacudu, ,,maar goed, ze doen maar. Wij zijn er klaar voor.''

Klaar? Meer dan bereid, zeker, maar goed voorbereid, gedisciplineerd en doordrongen van duidelijke `rules of engagement'? Dat is de vraag. De operatie is `geïntegreerd'; de militaire stok zal gelijktijdig worden gehanteerd met de politiefluit en de humanitaire verbanddoos. Dat klinkt goed, maar het kan ook anders gaan. Van 1989 tot 1998 had het leger al de vrije hand in Atjeh. Balans: 10.000 doden, vooral burgers, en een beurs gebeukte bevolking die zich in de armen van de Beweging Vrij Atjeh (GAM) wierp. Als de 45.000 militairen en politiemannen dezelfde botte bijl hanteren als hun collega's al een maand doen in Papoea, zijn de Atjeërs niet te benijden.

Het verhaal van Atjeh is lang en tragisch. Na de oorlog kozen de Atjeërs enthousiast voor Indonesië, maar die geestdrift werd alras getemperd toen deze bij uitstek islamitische provincie aan het begin van de jaren '50 bij het overwegend christelijke Noord-Sumatra werd gevoegd. De Atjeërs sloten zich aan bij de beweging Darul Islam, die ijverde voor een islamitische federatie. Toen Soekarno hun in 1959 toestond de islamitische wet toe te passen, werden zij verzoend met de Republiek.

In de jaren '70 werd er aardgas gevonden in Atjeh. Rond het gas ontstond een luxe enclave: een LPG-fabriek en een getto voor technici van elders wier maandelijkse onkostenvergoeding hoger was dan het jaarinkomen van de Atjese boeren. Toen de gouverneur van Atjeh in de jaren '80 poogde die kloof te dichten met een ambitieus ontwikkelingsprogramma, bleef 30 procent van het geld hangen in overheidsburelen.

Armoede, ongelijkheid en corruptie vormen het troebele water waarin de GAM zijn hengels uitwerpt. De `beweging' is niet meer dan een hedendaagse variant van het aloude Atjese banditisme: landloze boerenzoons die hun geluk beproeven in de bergen. Wat zij niet krijgen volgens de adat (het gewoonterecht), nemen zij krachtens het oorlogsrecht. `Vrij Atjeh' is de fiere vlag boven een banale lading: marihuana-handel en afpersing. De enige vrijheid die de GAM wil, is vrijheid van rechtsvervolging. De GAM-leiders in Zweden hebben wel ambities, maar geen greep op de krijgsheren in Atjeh.

President Soeharto zag zijn megaprojecten in Atjeh bedreigd en gaf het leger in 1989 opdracht de GAM op te rollen. Met het bekende resultaat: de Atjeërs zagen de GAM na tien jaar als een kleiner kwaad dan het Indonesische leger. President Abdurrahman Wahid ging in 2000 in zee met een jonge club van oud-Rode Kruis-medewerkers, het Henri Dunant Center (HDC). Die moest de GAM winnen voor een `dialoog'. De generaals vonden dit nationaal gezichtsverlies, maar moesten goedvinden dat Jakarta en de GAM op 9 december vorig jaar in Genève een bestandsovereenkomst tekenden.

Volgens de Engelse tekst was de in 2001 aan Atjeh verleende speciale autonomie `starting point' voor verzoening. De GAM las dat niet als `uitgangspunt', maar als `beginpunt' en tekende het akkoord. Toen leger en politie zich terugtrokken op hun posten, trokken GAM-soldaten de dorpen in, waar zij verkondigden dat de `vrijheid' op handen was en alvast `belasting' hieven. Wie niet goedschiks betaalde, werd ontvoerd en met de dood bedreigd.

Dit kon niet doorgaan, vond de regering, en sinds gisteren zijn de generaals weer aan zet. Vroom Atjeh bidt dat zij hebben geleerd van tien jaar falen.