Calor

De wielrenner onthaart zijn benen. Vorige week heb ik het gehad over het vakmanschap – of eerder over het gebrek aan vakmanschap en kennis – van het ontharen. In vogelvlucht leidde ik de lezer door de ontharingshel van de wielrenner, een hel die in niets onder doet voor de hel waarin de zich ontharende vrouw is gevangen. Tamelijk mysterieus schreef ik dat ik ten slotte een oplossing had gevonden, zonder daarover in detail te treden: ,,meer daarover een volgende keer''. Daar nam de lezer geen genoegen mee.

Van de reacties die ik ontving behoorde tachtig procent tot het vrouwelijke geslacht. Grofweg cumuleerde het totaal der reacties zich in één smeekbede: onthul mij uw geheim. En nu ben ik in verlegenheid gebracht want mijn geheim kan niet op tegen de lasertherapie en de recente lichtflitstherapie die een gladheid tot in het graf claimen.

Een gladheid tot in het graf heb ik nooit geambieerd. Na mijn wielercarrière behoefde ik er naakt niet uit te zien als iemand die een boxershort draagt – de haargrens moest ergens worden gelegd. Laat ik mijn ontharingskroniek, zoals vorige week ingezet, nu voltooien.

In het vroege voorjaar van 1983 had ik het genoegen om in mijn derde professionele jaar, als noviet, te debuteren in de Raleigh- formatie van Peter Post. We bevonden ons aan de Côte d'Azur en we reden een aantal voorbereidingswedstrijden voordat het echte wielerseizoen zou losbarsten. Die formatie Post was een collectief waar Karl Marx zich de vingers bij zou aflikken. De ploeg won onophoudelijk, het was haar intuïtieve natuur. 's Avonds aan tafel was er tijd voor champagne en reflectie op het vak, twee begrippen die vrijwel synoniem waren aan elkaar. Ik bracht het ontharingsspook ter sprake en werd pompt uitgelachen. Maar wist ik het dan nog niet: Calor was de naam. Calor was de Rolls Royce onder de haarvreters. Een paar dagen later kocht ik in een warenhuis te Saint Tropez mijn eerste Calor.

Hoe zal ik de Calor beschrijven. Het behoorde tot de familie der elektrische scheerapparaten, ontworpen om de mannelijke baard aan te vallen, maar totaal ongeschikt voor dit doel. Des te gretiger viel de Calor aan op de grotere oppervlakken: het been. De Calor was een winnaar op het been. Ik herinner me de eerste sessie. In tien minuten was het gebeurd. Vijf minuten per been derhalve. De drie koppen van Philips werden op ronden gereden.

De Calor bestond niet uit koppen maar uit hoekige `ruggen'. Vier holle hoekige ruggen op een rij. En in de holte van die ruggen sneerden vier messen. Als ik de Calor hanteerde dacht ik aan mijn jeugd, en aan het graan, en aan de combines die het graan in augustus van het land vraten. De ruggen van Calor mogen onder geen beding verward worden met de ruggen van Braun. Braun heeft niets met benen.