Wie we waren en niet meer zijn

Soms lees je hele rare dingen. Zoals laatst in Vrij Nederland, dat een themanummer over links en rechts maakte, waarin Joshua Livestro, politiek commentator en verbonden aan de Edmund Burke Stichting, over het gelijk van rechts schreef. Dat is een alomvattend gelijk als je Livestro mag geloven. Links heeft de ene `historische vergissing' na de andere gemaakt. De laatste net nog bij de oorlog in Irak, waar links het `rechtse idealisme' niet herkende en in plaats van excuses te maken aan de winnaars de wereld ,,trakteerde op gespeelde verontwaardiging over een geplunderd museum – alsof tienduizend Iraakse kunstschatten het moreel equivalent zijn van tienduizend door marteling om het leven gebrachte Iraakse burgers''.

Ja, ze kunnen mooi redeneren daar bij `rechts'. Alsof er één of ander `links' is dat mensenlevens tegen antieke vazen heeft willen ruilen. Alsof verontwaardiging over beroofde musea, verdwenen verleden, gelijk staat aan bagatellisering van marteling en moord. Alsof het belang hechten aan geschiedenis en wat daarvan over is een typisch links verschijnsel is. Je zou denken dat iemand die verbonden is aan een conservatieve stichting toch ook wel enig gevoel zou kunnen opbrengen voor wat uit het verleden van belang is, zonder dat zo iemand meteen retorisch gaat roepen: een mensenleven is erger. Krankjorume vergelijking.

Je ziet er eigenlijk voornamelijk aan hoe weinig vruchtbaar het is om in het groot over `links' en `rechts' te gaan praten. Daar krijg je slordige algemeenheden van en borstklopperige praatjes. Je kunt het beter over het belang van oudheden hebben.

Afgelopen tien dagen was ik op Sicilië, om de Romeinse mozaïeken en de Griekse tempels te zien. Ik zag ze. En als zo vaak vroeg ik me af wat het toch is dat maakt dat de `oudheid', zoals we dat altijd zo raar noemen, de Grieks-Romeinse tijd, ons, mij, zoveel doet. Wat is er helemaal te zien? Een paar tempels, de meeste behoorlijk verwoest. Van de reusachtige Apollotempel in Selinunte staat niet meer dan één gedeeltelijke zuil overeind, en ook die is duidelijk met wat kunst en vliegwerk veel later weer rechtop gezet. Voor de rest bestaat die tempel, die vermoedelijk nooit voltooid is geweest, uit brokstukken. Enorme brokstukken, zuilschijven als plakken walvis zo groot, muurblokken waarachter je je kunt verschuilen. Ernaast een kleinere tempel waar iets meer van overeind staat, maar die toch ook voornamelijk uit gebroken zuilen en dooreen geschudde brokstukken bestaat, en daarnaast, verwonderlijk gaaf en stil, nog een tempel. Gaaf betekent niet veel meer dan dat er zuilen staan, dat er iets over is van het voorportaal en dat zelfs enkele stenen van de binnenruimte nog op elkaar liggen.

Het was een grijze morgen, het was stil weer, er waren weinig mensen, de velden om de drie tempels zagen rood van de klaprozen, en de gebouwen zagen er hartverscheurend verlaten uit: ,,hun zuilen een wijkplaats voor andere vogels dan goden'' dichtte C.O. Jellema. Niet ver van de tempels ligt een akropolis, eveneens nogal in puin, en op een heuvel vlakbij moet ooit een flinke stad gestaan hebben waar niets meer van te zien is. Bedekt onder lagen aarde. Selinunte werd op de Grieken veroverd door de Carthagers en daarbij ernstig verwoest. Later veroverden de Romeinen het weer, aardbevingen deden de rest. Er zijn duizenden mensen gevlucht, duizenden omgekomen. Maar die zuilen, die tempelfundamenten, die muren rond de akropolis, de resten van een Foenicisch heiligdom, die staan er nog.

In het archeologisch museum in Palermo zijn veel grafmonumenten te zien van een paar eeuwen voor Christus. Ze hebben de vorm min of meer van een tempelfront, binnen ligt de dode op een rustbed, bezig met zijn laatste avondmaal, waarvan iets wordt aangereikt door een disgenote. Alles heel Grieks, maar in veel meer kleuren dan je meestal ziet. Op de minizuiltjes van de tempel staat het teken van Tanith, de Foenicische doodsgodin, en de typisch Foenicische halve maantjes. Wonderlijk, en wellicht ooit heel vanzelfsprekend, die vermenging tussen volkeren en godsdiensten die elkaar ook weer zo vaak tot de dood toe hebben bestreden.

Er komt erg veel bij elkaar daar op Sicilië. Als je ingespannen tuurt kun je je bijna verbeelden dat je Tunesië ziet liggen, Carthago, de beroemde haven met de beroemde handelsvloot. In de tempels huisden Apollo en Juno, de Griekse goden werden omgevormd tot Romeinse en in een enkel geval, zoals in Agrigento, werd zo'n tempel verbouwd tot christelijke basiliek. Het is altijd vrijwel onvoorstelbaar dat te midden van die Grieks-Romeinse-Foenicische cultuur ook de eerste christenen rondliepen en pal voor zo'n machtige tempel over de boodschap van de gekruisigde begonnen en van heel bijzondere wonderen verhaalden, veel bijzonderder dan die de tempelbewoners verrichten konden. Leven na de dood. Wederopstanding. Dat soort dingen. Het blijft een raadsel dat het gelukt is met die godsdienst die zo streng en zuinig was, te midden van de elegantie, verfijning en rijkdom waarvan je nog steeds de sporen ziet. In zijn boek A World Full of Gods beschrijft de hoogleraar oude geschiedenis in Cambridge, Keith Hopkins, hoe `heidenen', christenen en joden in het Romeinse rijk door elkaar leefden. Hij laat ook zien hoe menig Romein voor de zekerheid aan allerlei goden en riten lippendienst bewees, zij het niet aan die van de christenen en joden.

Wie rondloopt tussen die tempels, wie kijkt naar de vazen met hun vele, soms verrassend alledaagse voorstellingen, wie de mozaïekvloeren ziet (met fitnessende dametjes in bikinietjes) die kijkt zo het verleden in en op de één of andere manier begrijp je dan iets van hoe het ging en gaat, van wie we waren en niet meer zijn, van vergankelijkheid en eeuwigheid. Van wat het is, menselijk leven.

Ik ben dan dankbaar voor elke scherf die bewaard is gebleven. Maar dat zal wel een verwerpelijk links sentiment zijn.