Tv-opera van Britten op het concertpodium

Owen Wingrave (1970) is een vrucht van de rijpere jaren van de Engelse componist Benjamin Britten, overleden in 1976. Toch beleefde deze opera pas dit weekeinde in het Amsterdamse Concertgebouw zijn Nederlandse première. In de zaterdagse Matinee leidde Lawrence Renes het Radio Kamerokorkest, diverse solisten en twee samengevoegde knapenkoren in de geschiedenis van een jongeman die zijn geweten laat prevaleren boven de verwachtingen van zijn familie.

Het probleem van Owen Wingrave is altijd geweest dat het stuk naar Henry James is geschreven voor televisie. Een televisieopera is net zo moeilijk overeind te houden op de planken, als een reguliere opera in de concertzaal. Een videoscherm had wonderen kunnen verrichten. Van twee noden was dan één deugd gemaakt.

Nu was er niks te zien, zelfs niet toen de muziek de tien portretten presenteerde van Owens voorgeslacht, die nu alleen maar aan het geestesoog voorbijtrokken. Eén afbeelding had in ieder geval op het podium moeten staan: die van de knoestige kolonel en het door hem doodgeslagen knaapje.

Lawrence Renes liet de toverachtige Britten-klank nogal eens rafelen en dan werden de luisteraars met de neus in hun tekstboekjes gedreven, omdat de solisten niet waren te verstaan. Alsof ze in een oratorium zongen, zo plechtig stonden ze naast elkaar opgesteld en ze keken elkaar aan vanuit de ooghoeken.

De hoofpersoon Owen Wingrave had in de gedaante van bariton William Dazeley moeite om te laten zien dat hij niet alleen maar moe en mat was, maar juist uit durf en moed het soldaatschap wilde weigeren. Tenor Christopher Lemmings had als Owens fanatieke studiegenoot Lechmere meer hanigheid in zijn dictie, maar de suspense was ver te zoeken toen hij het door Britten tot het uiterste geladen klopmotief op zijn lessenaar moest aantikken in plaats van op de deur van het griezelkamertje waarin Owen dood zou worden aangetroffen.

Vivian Tierney was als Miss Wingrave geen dramatische sopraan, maar roerde zich goed in de ensembles. Bariton Peter Savidge was nogal kleurloos als Owens mentor Spencer Coyle, sopraan Mary Plazas had als diens vrouw bepaald meer uitstraling. Tussen al dit Britse cultuurgoed deden twee Nederlandse solisten van zich spreken. Mezzosopraan Cécile van de Sant was merelachtig melodieus als Owens verloofde Kate op het toneel zal ze haar voormalige held bitser de deur moeten wijzen. Sopraan Ellen van Haaren was als Kate's moeder precies de juiste mevrouw om aan burgerlijke verontwaardiging gezicht te geven.

Klasse apart was de Britse tenor Robert Tear, die zichzelf met een gebald vuistje vanonder de lessenaar aanvuurde. Hij behoorde ooit tot de kring rond Britten, maar moest het veld ruimen toen hij vocaal een concurrent werd voor diens levensgezel Peter Pears.

Robert Tear zong zaterdag Owens grootvader oorspronkelijk door Pears belichaamd. De componist gaf de rol wapperende melismen mee, een parodie op de eigenzinnige oudere man. Tear is inmiddels op het punt in zijn carrière aangekomen dat hij heel natuurlijk in dit plaatje past. Hij was ook de Verteller: als een breekbare Captain Iglo stond hij boven in de zaal te zingen, voor de geopende deuren van waarachter het jongenskoor zijn ballade ondersteunde. Even was er theater.

Concert: Owen Wingrave van B. Britten door Radio Kamerorkest, solisten, Omroep Jongenskoor, Jongenskoor Rijnmond, o.l.v. Lawrence Renes. Gehoord: 17/5 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 20/5 20.3 uur.