Franse cinema op hoog niveau

Na een aarzelend begin trekt de kwaliteit van het competitieprogramma in Cannes aardig bij, vooral dankzij enkele Franse inzendingen. Regisseur André Téchiné is goed op dreef in Les égarés: klassieke, traditionele cinema van hoog niveau met een zinnig onderwerp. In juni 1940 vlucht een Parijse moeder (Emmanuelle Béart) met twee kinderen naar het zuiden, en krijgt bescherming van een wonderlijke snuiter, naar later zal blijken een ontsnapte tuchthuisboef met grote vaardigheid in het overleven. Zelden liet een film zo helder zien hoe oorlog traumatiseert en hoe snel burgerlijke normen van goed en kwaad hun betekenis kunnen verliezen. Het verhaal stelt Téchiné in staat een van zijn stokpaardjes te berijden, namelijk de lyriek van de natuur, waarin zijn hoofdpersonen zich schuilhouden voor zeer realistisch vormgegeven bombardementen.

In nagenoeg alle films van François Ozon speelt een huis de hoofdrol. Zijn Frans-Engelse coproductie Swimming Pool, de subtielste film in competitie, gaat over een villa in de Lubéron, door een Engelse uitgever ter beschikking gesteld aan een van zijn schrijfsters (Charlotte Rampling), een auteur van misdaadbestsellers. De vrouw verkeert in crisis, voelt zich bedreigd door de jongere generatie, en kan vooral niet meer genieten van het leven. In het huis ontmoet ze de mysterieuze dochter (Ludivine Sagnier) van de uitgever, in alles haar tegenpool. Het zwembad in de tuin fungeert als een spiegel van gevoelens en verlangens, als op een schilderij van Hockney, en allengs verandert de film van psychologisch drama in een film uit het misdaadgenre, met een David Lynch-achtige draai aan het einde. Ozon begint als in zijn eerdere film Sous le sable, en eindigt op het gestileerde terrein van 8 femmes, met bravoure balancerend op een dun koord dat realisme en droom met elkaar verbindt. Swimming Pool is een knap werkstuk, dat vooral Rampling wel eens de nodige prijzen zou kunnen bezorgen.

De film waar tot nu toe het meest over gepraat wordt in Cannes is niet de beste. In Elephant van Gus Van Sant wordt eindeloos veel gelopen, net als in zijn vorige film Gerry. Dit keer zijn de hoofdpersonen willekeurige leerlingen van een middelbare school, die ook lukraak gekozen bezigheden vervullen. Dat je bij deze speelfilm soms moet denken aan een documentaire van Frederick Wiseman is geen toeval, want Van Sant is een bewonderaar van zijn werk. Net als je je ernstig begint af te vragen waar dit allemaal naar toe moet, komt de aap uit de mouw: twee leerlingen in camouflagepak met automatische wapens in de hand lopen naar de bibliotheek, en zaaien ook willekeurig dood en verderf.

Van Sant spreekt geen oordeel uit, geeft zelfs geen mogelijke verklaringen voor het geweld, dat Michael Moore in Bowling for Columbine probeerde politiek te duiden. Zelfs de titel Elephant lijkt willekeurig, al is het bedoeld als hommage aan een gelijknamige televisiefilm van de Brit Allan Clarke over geweld in Noord-Ierland. De walging en geestelijke verwaarlozing van tieners staat als een olifant in de woonkamer, en toch doet iedereen alsof hij het probleem niet ziet. Of zoiets, want Van Sant is niet erg duidelijk in zijn betoog. Het probleem lijkt mij een preciezere film waard dan deze stijloefening in gefilmd toeval.