Deflatie nieuwe boeman economie

Hoewel de kans op deflatie in het westen klein is, zijn de gevolgen potentieel zo schadelijk, dat de huidige golf van bezorgdheid niet overdreven is.

Het inflatiespook heeft er een collega bij: deflatie. De bezorgdheid over deflatie, het structureel dalen van de prijzen, was er al een tijdje. Japan kent al tien jaar perioden van prijsdalingen, en in delen van Azië, met name China, worden de laatste vijf jaar met enige regelmaat dalende prijzen waargenomen. Maar zoals vaker laait het discours pas echt op als het fenomeen de westerse deurmat nadert. Afgelopen vrijdag rapporteerden de Verenigde Staten over de maand april een inflatie op jaarbasis van 1,5 procent. Dat is de kleinste prijsstijging sinds 1966. Gecorrigeerd voor de beweeglijke prijzen van voedsel en energie bedroeg de `kerninflatie' van maand op maand 0 procent.

Met een prijsstijging van 1,5 procent op jaarbasis lijkt deflatie in de VS nog ver weg. Duitsland is, met een inlatie van minder dan 1 procent, dichter in de buurt. Maar als gevolg van het nog steeds ongewisse economische herstel, en de deflatie die in Japan en China al realiteit is, beginnen beleidsmakers zich toch enige zorgen te maken. De centrale banken van de VS noemden twee weken geleden deflatie voor het eerst expliciet als een risico. De Europese Centrale Bank zei twee dagen daarna ook te gaan letten op een te lage inflatie.

Dat deflatie zoveel aandacht krijgt is niet onbegrijpelijk. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) noemde de kans op het verschijnsel in een studie die gisteren werd gepubliceerd weliswaar gering, maar de schade die kan optreden bij deflatie is afschrikwekkend genoeg om zelfs bij een klein risico groot alarm te slaan.

Deflatie heeft, in zeer kort bestek, verscheidene negatieve bijverschijnselen. Het kortstondig dalen van de prijzen hoeft op zichzelf niet schadelijk te zijn. Maar als de verwachting van lagere prijzen in de toekomst zich eenmaal bij het publiek heeft gevestigd, kan dat publiek zijn consumptie uitstellen in afwachting van een goedkopere toekomst.

Een tweede effect is dat, zoals de grootte van een schuld wordt uitgehold door inflatie, die grootte juist effectief toeneemt als de prijzen dalen. Bovendien daalt maar al te vaak de waarde van een onderpand (onroerend goed, effecten, voorraad) mee. Het schuldprobleem van zowel bedrijven als consumenten kan sterk toenemen als gevolg van een langdurige deflatie.

Derde probleem is dat veel economische grootheden een ondergrens hebben van nul. Lonen dalen veelal niet, een rente kan niet lager zijn dan nul (een recente anomalie in Japan uitgezonderd). Bij dalende prijzen vindt dus altijd een reële loonstijging plaats, en is de reële rente altijd positief. De kosten van bedrijven lopen zo op, terwijl hun omzet door de dalende prijzen terug dreigt te vallen. Dat hakt in de winstgevendheid, kost werkgelegenheid en kan zo leiden tot een verdere vraaguitval, waardoor de prijzen verder dalen. Het rentebeleid van centrale banken is in dat geval goeddeels ineffectief, omdat de vraag naar geld niet meer luistert naar de rente, die ook niet lager kan dalen dan nul.

De jaren dertig, toen bij het begin van de Grote Depressie in de VS de prijzen met bijna een kwart daalden in een tijdsbestek van vier jaar, dringen zich bij zulke scenario's snel op. De vraag nu is in hoeverre de deflatie-angst reëel is. Ook tijdens de Azië-crisis van 1997-1998 stak de bezorgdheid over deflatie in het westen de kop op, maar de prognoses kwamen destijds niet uit. Ditmaal lijkt de zorg groot genoeg voor een speciale studie van het IMF. De Verenigde Staten horen volgens het IMF bij een groep landen die ,,een laag, maar niet minimaal'' risico op deflatie lopen. Pas als de economische groei langdurig uitblijft en de werkloosheid stijgt naar 8 procent, kan volgens het IMF deflatie optreden.

In Europa is het beeld diverser. Landen als Nederland lopen volgens het IMF geen risico op deflatie, maar de Scandinavische landen, België, Portugal en Zwitserland lopen zulk risico meer dan gemiddeld. Duitsland, dat al een lage inflatie van rond de 1 procent heeft, loopt zelfs een ,,aanzienlijk'' risico. Zeker als de economische groei dit jaar negatief blijkt. Het IMF calculeerde bij zijn risico-analyse de gevolgen van de uitbraak van sars in China nog niet in, en heeft ook de recente daling van de dollar – die een neerwaartse druk op de prijzen in Europa oplevert – nog niet geheel meegenomen. Waardoor zich het opmerkelijke fenomeen voordoet dat de angst voor deflatie op dit moment in de VS het meest virulent is, terwijl juist in Europa de kans op het eerste deflatiegeval het grootst is.