De terugkeer van het beest

Lo scoiattolo werd hij genoemd. Vroeger, toen hij nog als junior in de clubtrui van Polisportiva Besanese en later van de Pedale Sommese de heuvels rond Varese tegen de Italiaans-Zwitserse grens beklom. Hij, Stefano Garzelli, de mooie jongen met de groene ogen, was een jonge wielrenner die nog niet overtuigd was van zijn talenten. Maar een koosnaam had hij al snel verworven. De eekhoorn, omdat hij als een eekhoorn tegen een berg opsprong.

Wie de beelden van Garzelli ziet tijdens de Giro d'Italia, nu vijftien jaar later, begrijpt wat de supporters er destijds toe bewoog hem te vergelijken met een eekhoorn. Hij is geen dartele klimmer, hij is meer een klimmer die van wiel naar wiel kan springen en uit het niets versnelt. Garzelli is geen Marco Pantani, zijn leermeester aan wiens zijde hij een paar jaar reed; hij is ook geen Lance Armstrong, die tegenwoordig de machtigste klimmer van het peloton is. Garzelli is gewoon een mooie coureur, met een bijzondere staat van dienst, een vreemd verleden en een nog niet ontwikkeld talent.

Het is jammer dat hij wordt vergeleken met Pantani. Enerzijds is het zijn eigen schuld. Had hij zich maar niet in dienst van Pantani ook kaal moeten laten scheren en een bandana moeten laten aanmeten. Bovendien zei hij zelf na zijn krachtsexplosie in de Giro van 2000, in de tijdrit naar het skidorp Sestriere, dat hij voortaan Il Piratino genoemd wilde worden als een eerbetoon aan Il Pirata, zijn vroegere kopman Pantani.

Anderzijds menen de critici dat Garzelli net als Pantani zijn zeges niet zonder doping heeft kunnen realiseren. Ze verwijzen naar de Giro van 2002, toen in zijn urine probenicide werd aangetroffen, een vochtafdrijver die wordt aangewend om gebruik van dope te maskeren. Garzelli ontkende bewust gebruik, maar werd bijna een jaar geschorst. Zou hij dan, net als die andere Italiaanse wielrenners, ook in het jaar van zijn zege in de Giro eveneens gedrogeerd zijn geweest? Mogelijk. Maar doet dat iets af van zijn talent, zijn fraaie en tactische stijl van wielrennen vooral van klimmen?

Denkt u bij elke pedaaltred van Garzelli, Cipollini, Petacchi, Simoni, Frigo en Pantani: dat komt door doping? Ja, dan kunt u zich beter beperken tot het aanschouwen van de schoffelaars en huichelaars van de voetbalsport. Wat wielrenners ook doen om zich beter te voelen op hun weg naar de glorie, ze verdienen het te worden bewonderd om hun inzet en durf om te lijden. Niet alleen Armstrong, de heilige Amerikaan, maar ook Garzelli en de zijnen.

Pierino Gavazzi, de Italiaanse sprinter uit de jaren tachtig die Garzelli bij de amateurs ontdekte, heeft hem eens te goed van vertrouwen genoemd. `Stefano gelooft alles wat men hem vertelt, hij heeft te veel naar Pantani gekeken en geluisterd. Nu begint hij pas te groeien.' En de legendarische Felice Gimondi, nu Garzelli's adviseur: `Hij is te lang onzeker geweest en te ongeduldig. Maar ik hou van zijn stijl en van zijn innerlijk. Hij herstelt snel, hij is een diesel, hij komt er nog wel, want hij is pas 29.'

Zes jaar is Garzelli pas professional. Il ritorno della bestia (de terugkeer van het beest), schreef een Italiaanse krant toen Garzelli recentelijk in april zijn eerste wedstrijd na zijn schorsing won, de Giro dello Trentino. Deze Giro won hij al weer twee etappes. Rustig, zonder opwinding, op zijn eigen wijze. Twee sprongetjes waren voldoende. De Giro is een andere ronde dan de Tour. Ze is aangenamer, het landschap is mooier, de dorpen en steden zijn mooier, de mensen zijn mooier en de namen van de renners zijn mooier. Namen om te onthouden. De vraag is welke bijnaam wijlen Dino Buzzati, de chroniqueur van de Corriere della Sera en de Italiaanse Kafka genoemd, Garzelli in zijn `De Ronde van Italië' zou hebben gegeven. Waarschijnlijk Lo scoiattolo.