Romeins varen

Een gezellig roefje, een kombuis: voor het eerst is de opbouw van een Romeins schip teruggevonden. Het was waarschijnlijk een trekschuit.

Een grote witte bouwtent staat in een weiland aan de rand van de nieuwbouwwijk Veldhuizen in Leidsche Rijn. Bij eerdere vondsten in Leidsche Rijn, een Romeinse weg, houten palen van een Romeinse wachttoren, ging het nog om vondsten waar het publiek met visuele middelen geholpen moest worden om iets van de opwinding van de archeologen te begrijpen. Wat in de tent ligt spreekt voor zichzelf. Hier ligt een natte mini-uitvoering van Pompeï, een vrijwel gaaf Romeins schip, dat ter plekke is gezonken – met alles nog aan boord.

Twee archeologen van de gemeente Utrecht, die de weg en de toren hebben opgegraven, staan in de tent. De opgraving van het schip is niet hun werk, maar dat van André van Holk, de specialist van het NISA (Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwaterArcheologie). Maar dit is iets dat ze als archeoloog waarschijnlijk nooit meer meemaken. Ze hebben zich daarom vrijgeroosterd van hun eigen werk en hebben Van Holk vriendelijk aangekeken om ook een weekje mee te kunnen graven. Het priegelwerk op de hurken en de pijn in de knieën nemen ze op de koop toe.

`tok'

Het schip is al in 1997 gevonden. Bij toeval. De Romeinse weg was net een paar uur eerder ontdekt, toen de graafmachinist opdracht kreeg om nog even vijf meter verder te kijken of de weg daar doorliep. Een droog klinkende `tok' was genoeg om de graafmachine meteen stil te zetten. Na even voelen en wat modder weghalen, was de conclusie snel getrokken. Ze wisten dat naast de weg de Rijn had gelopen, dus de opstaande houten rand die te voorschijn was gekomen moest een schip zijn.

Het NISA kwam er bij voor een snel proefonderzoek en die haalde uit de modder een gave gereedschapskist met inhoud. De sensatie was compleet. In Nederland zijn tot nu toe ongeveer vijftien Romeinse schepen gevonden. De bekendste zijn de zes van Zwammerdam (drie kano's en drie grote vrachtschepen), die begin jaren zeventig bij Alphen aan den Rijn zijn ontdekt. Maar al die schepen waren ooit bewust tot zinken gebracht, onder andere om als fundering van een havenuitbreiding te dienen. De vondst van de gereedschapskist in Leidsche Rijn was een aanwijzing dat dit schip, toen het zonk, nog in bedrijf was. Te vergelijken met een tijdscapsule, net als Pompeï, waar de uitbarsting van de Vesuvius de tijd had stilgezet.

Toch was opgraven niet de eerste reactie van de archeologen. Opgraven betekent een kennisbron vernietigen. Daarom laten archeologen sinds enige jaren waar mogelijk alles liggen waar het ligt. Voor toekomstige generaties, zeggen ze, die andere vragen dan zij hebben en wie ze de gelegenheid willen geven de bron zelf te raadplegen. Daarbij nemen ze voor lief dat ze zelf geen kennis van die bron kunnen nemen en tonen ze een opvallend en onvoorwaardelijk vooruitgangsgeloof: later, zeggen ze, zullen er betere, want niets vernietigende onderzoeksmethoden uitgevonden worden. Aan niet opgraven zit ook nog een andere kant: het bespaart tijd en geld, middelen die ingezet kunnen worden voor vindplaatsen die wel door onmiddellijke vernietiging worden bedreigd.

Bij het schip werd al snel duidelijk dat het toch niet ongestoord kon blijven liggen. Door bouwen in de omgeving zou zuurstofrijk grondwater bij het schip komen en het hout aantasten. Toch duurde het nog even voordat de opgraving kon beginnen. Eerst moest worden uitgevochten wie de benodigde twee miljoen gulden – de euro was nog niet ingevoerd – zou gaan betalen. De gemeente Vleuten-De Meern kon en wilde niet alles betalen en daarom was het wachten tot OCenW 1,2 miljoen gulden subsidie gaf.

eerste paal

Begin maart was het zo ver en werd de eerste paal geslagen voor een stalen damwand rondom het schip. Al na een paar dagen graven werden de vermoedens bevestigd. Hier, op een plek waar de Rijn vroeger dertig meter breed en twee meter diep was, lag inderdaad een van de gaafst bewaard gebleven Romeinse schepen. Gaver dan de vijf transportschepen van Mainz, die in de jaren tachtig zijn gevonden, en completer dan de schepen die vorig jaar in Pisa zijn opgegraven. Aan de achterkant stond de roef (de kajuit) nog 1,20 meter hoog overeind. Ook de inventaris was nog intact. Voor het eerst kregen archeologen een verrassende indruk van het leven aan boord van een Romeins rivierschip. Al het houtwerk bleek met zorg gemaakt en bewerkt. Deurtjes gaven toegang tot de kajuit van vijf vierkante meter. Met een stang kon de ruimte worden afgesloten. Tegen de voorste wand stond een bank dan wel bed met gedraaide poten. Boven het bed vormden spijltjes met zwartgebrande driehoekjes een soort kast. Verder was er nog een notenhouten kastje met parallelle groefjes. Op de deurtjes zat een ijzeren slot. Uit het kastje kwamen een schaar, een krijtje, een stylus (kraspen), een muntje, een mes en twee halfronde stokjes. ``Iets passerachtigs'', denkt Van Holk. In de kajuit lag ook een grote kist van 1,70 meter lang en veertig centimeter breed en hoog. Met een stukje touw als enige inhoud.

Tegenover de kajuit was nog een ruimte, zonder deuren, dus voorlopig is het de vraag hoe je daar binnen kwam. Via het dak? Van Holk weet het nog niet. In de ruimte lagen een grenen vloertje met brandplekken en dakpannen. ``Waarschijnlijk de kombuis met stookplaats.''

Na tien weken graven is het eikenhouten schip bijna helemaal, 24,6 meter lang en 2,70 meter breed, van voor tot achter uitgegraven. Met zijn platte bodem en met voor en achter een recht afgesneden, geleidelijk oplopende steven lijkt het een reuzenpunter. Een gat ontbreekt, dus waarschijnlijk is het op een door storm te onstuimige rivier? vol water gelopen en daardoor gezonken. Het schip heeft ook wel iets weg van de karretjes in een schroevendraaiende achtbaan: de achterkant maakt slagzij naar links, terwijl de voorkant naar de andere kant helt. Vele grote ijzeren spijkers houden de boel bij elkaar. ``Typisch Romeins'', weet van Holk, ``die gebruikten geen houten pennen, maar deden alles met ijzer.''

Voor jaarringenonderzoek is het nog te vroeg, maar op grond van het gevonden aardewerk is Van Holk zeker dat het schip uit 180 na Christus of net iets later dateert. De tijd van keizer Commodus, met onrust aan de grens in de Lage Landen door invallen van Chaukische zeerovers en het begin van de bouw van stenen forten langs die grens, ter vervanging van de oudere houten.

zool

De vondst van een zool van een Romeinse soldatenschoen onderin het schip maakt duidelijk dat het schip in militaire dienst was en dus alles te maken had met de Romeinse grens en zijn forten en wachttorens langs de Rijn. Van Holk weet alleen nog niet waarvoor het schip werd gebruikt. De langere en bredere schepen van Zwammerdam dienden waarschijnlijk voor bulktransport van stenen voor de bouw van forten. Twee afgepunte houten paaltjes in het verder lege ruim acht Van Holk geen bewijs voor houttransport door zijn verhoudingsgewijs smalle schip. ``Dat hout kan makkelijk van elders met de rivier zijn meegevoerd en ingespoeld.'' Hij houdt het voorlopig op bevoorrading van stukgoed voor bijvoorbeeld de wachtposten. Vervoer van dieren sluit hij vanwege de lage en geleidelijk oplopende instap ook niet uit. Onderzoek van grondmonsters uit het ruim geven hopelijk later meer duidelijkheid.

Nog een onopgelost probleem: hoe voeren de Romeinen met hun schepen op de rivier? Stroomafwaarts ziet Van Holk geen problemen, dat was gewoon een kwestie van met de stroom meedrijven, maar stroomopwaarts moet een ander verhaal zijn geweest. Rechts van de achtersteven zitten twee ijzeren ringen die mogelijk voor roeispanen hebben gediend. Op vijf meter van de voorsteven zit het gat waar de mast heeft gestaan. Stroomopwaarts zeilen met zo'n groot schip op een meanderende rivier lijkt Van Holk moeizaam en gezien de plaatsing van de mast voorin het schip denkt hij dat het om een jaagmast ging. Dat zou dan op trekken kunnen duiden. Dat de boot met zijn boeg stroomopwaarts is gevonden, ondersteunt dat idee.

Hij kan er nog even over nadenken. Volgend jaar juni moet zijn rapport af zijn. In de tussentijd zal het schip bij het NISA in Lelystad in een bad met polyethyleenglycol worden geconserveerd. Daarvoor moet er eerst een beschermende staalconstructie omheen, waarna het gelicht en op een dieplader geladen zal worden. Donderdag 12 juni staat Van Holk met het zweet in zijn handen.

Meer informatie op www.romeinsschip.nl. Het schip is dit en komend weekend (van 10 tot 16 uur) toegankelijk in het kader van de Gave Graafdagen.