Rik I

Wie gaat er dan sterven in een Antwerpse Euwfeestkliniek? Alleen kampioenen! Mannen en vrouwen die de eeuw voorbij zijn, misschien wel alle eeuwen. Rik van Steenbergen was zo'n man.

Rik I.

Het Romeinse cijfer zegt genoeg over de legendevorming. En toch is niet alles gezegd over deze fantastische wielrenner. Er was een epos na het epos. Noem het: de postcoïtum liturgie van trots.

We kenden elkaar. Als gelukzoekers, als weeskinderen van een vergane grandeur. Bijna vaderlandsloos. De meisjes hadden voor hem gedanst, lang voor de salsa. De koning had hem een hand gereikt. De nouveau riche huurde hem in als het perpetuum mobile van haar eigen verwachtingen. Maar hij bleef wie hij was: een jongen van schrale zandgrond die fietste om te overleven. Tot zijn 42ste, en in herinnering tot zijn dood.

Hij zei me: ,,Ik heb de armoede gekend. Oorlogsjaren. Daarom zat ik later zingend op de fiets. Het geluk in de Giro d'Italia kon niet op, na een jeugd zonder illusies. Opeens werd alles me toegespeeld: fietsen, frames, tubes, bidons. Alleen de zotheid van de sprint was nog van mezelf ``.

Namens het volk, überhaupt.

Rik van Steenbergen was de eerste volksheld in België. Dor van taal en gebaar, vlezig in het succes. Hij wilde altijd winnen, voor het geld, maar ook als heffe des volks. Kampioen worden namens de armen, dat sociaal-democratische ideaal heeft hem nooit verlaten. Terwijl hij wist dat elk politieke engagement hem zou amputeren in zijn liefde en in zijn geloof.

De veertig voorbij, koerste hij nog steeds. Het was minder heroïsch dan het leek. Het was vooral een fuite en avant. ,,Achterom kijken is sterven'', zei hij op een barre winteravond. ,,Ik ben niet van gisteren, ik ben van vandaag. Ouder, milder, droeviger, maar nog steeds Rik van Steenbergen. The boss, en zo wil ik doodgaan.''

Zijn obsessie van de laatste tien jaar was: eten. Het grote geld dat hij bijeen had gefietst, had hij vergokt, verspeeld, verknald in amoureuze en dubieuze vriendschappen. Zijn geluk was versmald tot een rijk gedekte tafel. Tot hopscheuten, gebalsemd met een Pomerol. Dan genoot hij. ,,Zeg me wat je eet en ik zeg je wie je bent.''

De neo-bourgeoisie van een wielrenner.

Zoals het een kampioen past, hij betaalde nooit. Altijd was er wel een rare snoeshaan die de oud-wereldkampioen wilde sponsoren in spijs en drank. Daar stemde hij zijn leven op af. Verandalux, om maar iets te noemen, mocht van hem houden, maar aan restaurantbonnetjes had hij geen boodschap. Kampioenen betalen niet.

In dit tragische opportunisme kwam Rik van Steenbergen zichzelf en zijn verleden tegen. Alles was te koop. Klassiekers, wereldkampioenschappen, etappewinst in Giro of Vuelta. 'Doe mij maar een Pétrus.' Wie arm geboren is, hoort zich rijk te rekenen.

Dat deed hij dus.

Er was een andere kant: de 'volkomen' eer. Zoals hij zich afzette tegen Rik van Looy en tegen Eddy Merckx – heroïsch. Het waren bijna tribale gevechten. Nooit ben ik nog een renner tegengekomen die zo militair in het succes was als Rik van Steenberen. Terwijl hij alles al gewonnen had, niet in het minst drie wereldtitels op de weg en een veelvoud op de baan.

Rik I reed winter en zomer. Twaalf maanden per jaar. Van pieken naar een hoogtepunt toe had hij geen verstand. Dat wilde hij ook niet. Wielrennen was arbeid, zoals de havenarbeiders in Antwerpen dagelijks hun arbeid verrichten. Labeur is de essentie van het leven.

Toch was hij Italiaans. Gevoelig voor de gratie in de jukbeenderen van een vrouw, alert voor de erotische rimpeling van een bloemennmeisje. Hij wist als geen ander wat er te koop was, ook op het podium. En soms verloor hij zich in een waanzinnige liefde, maar altijd na de wedstrijd. Een oorlogse Alain Delon, maar met het arbeidsethos van een druivenplukker.

Ik zal niet op zijn begrafenis zijn. Ik kan er niet meer tegen, tegen het 'carnaval der rouwenden'. Maar onverminderd zal ik Rik I als een bliksemschicht blijven zien. Goddelijk in zijn eenvoud. Werldkampioen in Waregem, 1957. Op het podium keek hij parmantig over het hoofd van koning Boudewijn heen. Zoals een volksheld doet die nooit zijn origine heeft verlaten.