Politieke retoriek is op sterven na dood

Dinsdag 20 mei houdt NRC Handelsblad in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer een debatwedstrijd onder nieuwe Kamerleden: het Parlementair Debattoernooi, met als inzet de Cicero-prijs. De wedstrijd is toegankelijk voor lezers, maar het aantal plaatsen is beperkt. Ter gelegenheid van deze serie korte debatten vroeg de redactie Opinie aan Willem Witteveen, auteur van het boek De retoriek in het recht, naar de stand van de politieke retoriek. Een aantal grootmeesters op dit gebied is uitgenodigd om, op schrift, een proeve van bekwaamheid te laten zien Femke Halsema en Hans Hillen zijn op deze uitnodiging ingegaan.

Als politieke retoriek de handigheid is om vragen te ontwijken, de kunst om jargon te gebruiken en de vaardigheid om voor eigen parochie te preken, dan staat de politieke retoriek er in Nederland goed voor. Als we daarentegen vinden dat politieke retoriek het vermogen is om een visie zo duidelijk en overtuigend te verwoorden dat ook een ongeïnteresseerd of vijandig publiek er gefascineerd naar luistert, dan is de politieke retoriek bij ons op sterven na dood.

Neem een bij uitstek retorisch hoogtepunt, het motto van een nieuw kabinet. Dat moet iedere Nederlander aanspreken. Het kabinet-Balkenende presenteerde zich onder de vlag van `Duidelijkheid en daadkracht'. Met de daadkracht was het snel gedaan, het kabinet viel na 87 dagen. En gevraagd om duidelijkheid, stelde de premier dat het `gedoe' van anderen was, waar hij als minister-president boven stond. De linkse oppositie, verdeeld en dus krachteloos, deed het op dat moment trouwens helemáál zonder gezamenlijke strijdkreet.

Het leek er even op dat het fenomeen-Fortuyn de stand van de politieke retoriek definitief had veranderd. Hij sprak immers gewone taal, mobiliseerde mensen die zich al geheel van de politiek hadden afgewend en wist zijn pijnlijke boodschappen (over integratie, multiculturalisme, bureacratie) zó dwingend en indringend onder de aandacht te brengen, dat zijn tegenstanders wel moesten luisteren.

Maar het is voor niets geweest. Zijn discipelen hebben van het gedachtegoed van Pim een potje gemaakt en zijn tegenstanders hebben het van hen overgenomen. Het jargon woekert als vanouds en politici zeggen pas wat ze denken als ze denken dat de mensen hun dat willen horen zeggen. (Het kabinet-Balkenende heeft als zijn meest verreikende vernieuwing van het openbaar bestuur een zogeheten `belevingsmonitor' geïntroduceerd, een opiniepeiling die kennelijk in de plaats komt van de volkswil.)

De teleurstellende stand van de retoriek is een weerspiegeling van de stand van zaken in de democratie. Er wordt pas echt op het scherp van de snede gedebatteerd als het oordeel van het publiek ertoe doet. En dat is in Nederland alleen het geval tijdens de verkiezingscampagne. De dag na de verkiezingen is het gedaan met de duidelijkheid en de daadkracht, en wordt achter gesloten deuren uitgemaakt wie met wie gaat regeren en wat er moet gebeuren. De afgelopen campagne was een buitengewoon levendige. Het leek met al die televisiedebatten waarachtig op een bloei van de politieke welsprekendheid. Maar de lijsttrekker van D66 mocht van de media niet meedoen en toen hij de verkiezingen verloor kregen we een opvolger die achter gesloten deuren mee mocht formeren. Van D66 kregen we toen niet het referendum (waar ze zich sterk voor maakten) maar het districtenstelsel (waar geen mens in de campagne aan had gedacht) en Thom de Graaf, de man die niet mee mocht debatteren, werd genoemd als minister van Binnenlandse Zaken, speciaal belast met de democratische vernieuwing.

Wat is eigenlijk de zin geweest van al die debatten en van de strijdpunten waar kiezers hun oordeel op hebben gebaseerd? Ik zou een lijstje oorzaken van het falen van de democratie kunnen nalopen, maar dat is al zo vaak gedaan: het ligt aan de consensuscultuur en die is weer te danken aan de onmogelijkheid om een meerderheid te worden en dit is weer de erfenis van de verzuiling en omdat partijen met elkaar moeten samenwerken, ontwikkelen ze geen eigen ideologie en omdat er geen ideologische strijd plaatsvindt lopen de partijen leeg en omdat de partijen te weinig betrokken leden hebben, leveren ze te weinig bevlogen bestuurders en omdat die bestuurders vooral ambtelijk denken blijft de bureaucratie in stand en die bureaucratie is weer helemaal verweven met de consensuscultuur.

Het is in deze kluwen van argumenten niet goed uit te maken wat waar is en wat niet. De tragische geschiedenis van D66 als democratiseringspartij is het bewijs dat grote stelselveranderingen, ingrijpende politieke vernieuwingen, niet van bovenaf mogelijk zijn. Misschien moeten we niet eerst de structuren veranderen maar beginnen met de communicatie, en met de kwaliteit van het taalgebruik. Niet het bestuur voor de zoveelste keer reorganiseren maar dit toegankelijker maken en bestuurders leren beter naar het verhaal van mensen te luisteren.

Politiek bewuste burgers kunnen ook in onze versteende democratie tot op grote hoogte zelf het heft in handen nemen. In een gedicht van Remco Campert heet het: `verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden'. Het is nuttig om aankomende volksvertegenwoordigers te laten debatteren om een prijs voor welsprekendheid te verdienen. Maar vele malen nuttiger is het om een prijs te geven voor de kwalijkste retoriek, voor het verhullendste taalgebruik, het meest ontwijkende vraaggesprek, de meest subtiele drogredenering, voor de meest gewichtige witte ruis. Laat politici en bestuurders het in deze categorieën tegen elkaar opnemen – als het kan op televisie. Laat lijsten publiceren op internet van de ergste (en dus de beste) staaltjes onwelsprekendheid.

Of als een wedstrijd te vrijblijvend is, maak er dan een retorica-tribunaal van, met Gerrit Komrij als openbare aanklager, waar politici en bestuurders over hun ergste taalzonden worden ondervraagd. Laat er zo met en tussen politici een discussie ontstaan over de vraag waarom het altijd weer zo gaat en niet anders. En wie weet komt men dan op kleine veranderingen die grote gevolgen hebben. Wie weet leren de regenten beter luisteren. Wie weet krijgen volksvertegenwoordigers weer een boodschap aan de samenleving. Wie weet spreken ze meer uit het hoofd en uit het hart. En zien ze in dat het geen zin heeft elkaar in de Kamer over details van details te ondervragen en een betoog zo vaak te interrumperen dat het in stukken gebroken wordt en geen gewoon mens er nog wijs uit wordt. Het gaat met kleine stappen, maar op een dag zijn er geen slogans meer nodig om het beleid te verkopen en geen belevingsmonitor om te weten wat mensen beweegt. Misschien gaan de actieve en betrokken burgers die politici óók zijn dan hardop nadenken over de beperkingen en de perspectieven van democratische politiek. Het klinkt idealistisch, maar is toch haalbaar. Zoals we ook bij Campert kunnen lezen:

jezelf een vraag stellen

daarmee begint verzet

en dan die vraag weer aan een ander stellen.

Willem Witteveen is hoogleraar rechtstheorie aan de Universiteit van Tilburg en senator voor de PvdA.