Neomarxistisch globaliseren

Zijn de eindexamens te doen voor hoogleraren die er verstand van hebben? De Nijmeegse hoogleraar filosofie Hub Zwart maakte het havo-examen filosofie.

. De eerste vraag van het examen filosofie gaat meteen al op de actualiteit in: globalisering. Deze ontwikkeling moet je beoordelen vanuit het gedachtegoed van Hobbes. Deze filosoof leefde en werkte in een tijd dat vorsten nog soevereine alleenheersers waren. De manier waarop de vraag wordt gesteld, doet echter sterk denken aan een vraag die ik zelf ooit als scholier moest beantwoorden: ,,Noem vijf nadelen van het kapitalisme en vijf voordelen van het communisme''. Dat de vraagstelling `eenzijdig' en `suggestief' zou zijn, is zwak uitgedrukt.

Ter verduidelijking citeer ik de eerste zinnen waarmee zij wordt ingeleid. ,,Kort samengevat wordt met globalisering een proces bedoeld waarin de hele wereld onderworpen is aan de macht van multinationals zoals Microsoft, Nike en McDonalds. Ten eerste wordt de politiek en de politieke besluitvorming gedomineerd door een kapitalistische economie waarin de grote bedrijven het voor het zeggen hebben. Het belangrijkste doel van deze bedrijven is een steeds grotere winst. Ten tweede nemen deze bedrijven steeds meer bezit van de publieke ruimte door reclame en marketing.'' Vervolgens krijgen vrijwel uitsluitend anti-globalisten zoals Klein en Forrester het woord en wordt globalisering vrijwel uitsluitend in termen van wereldwijde uitbuiting, neurotisch winstbejag, perverse machtswoekering en afwezigheid van democratische controle beschreven.

Laat ik voorop stellen dat ook ik van mening ben dat wij een open oog moeten hebben voor problematische aspecten van het globaliseringsproces zoals zich dat in hoog tempo voltrekt. Maar het is nogal onfilosofisch om processen zoals de val van de Muur, de mondialisering van de economie, de opkomst van de netwerksamenleving en van elektronische communicatie louter en alleen in negatieve, neomarxistische termen te bespreken, zoals in de omstandige inleiding op de eerste examenvraag gebeurt. Alvorens de scholieren zelf aan het woord te laten, wordt hen eerst op drammerige wijze een vulgair-marxistisch wereldbeeld opgedrongen.

Het is duidelijk dat de vragenstellers hun opleiding genoten toen het marxisme de vanzelfsprekende intellectuele horizon vormde en vervolgens nooit echt in staat zijn geweest afstand te nemen van de dogmatisch-ideologische visies die zij toen opdeden. De generatiekloof tussen de scholieren voor wie de globaliserende samenleving waarschijnlijk een min of meer vanzelfsprekende horizon vormt en de examenmakers, die hen een sterk ideologisch gekleurde, bij voorbaat anti-globalistische beschouwing in de mond willen leggen, is vermoedelijk groot. In de eindtermen van het examenprogramma staat echter dat de kandidaat moet kunnen omgaan met begrippen als `ideologie' en een verband moet kunnen leggen tussen `het vraagstuk' (hier: globalisering) en ”de verschillende invalshoeken/referentiekaders” van degenen die dit vraagstuk beoordelen. Hopelijk waren de scholieren tijdens hun opleiding inderdaad voldoende filosofisch getraind om de `theoretische vooronderstellingen' van hun examinatoren te doorzien, evenals de schaamteloos ideologische wijze waarop zij een complex en veelzijdig fenomeen als globalisering presenteren. Hopelijk wisten de scholieren deze visie vervolgens door een meer doordachte en minder clichématige beschouwing te vervangen. En hopelijk wordt dit vervolgens niet door corrigerende leraren afgestraft en kan een kandidaat die in globalisering meer dan alleen `terreur' en `kapitalistisch winstbejag' ziet, toch nog een voldoende scoren.