Moslim is een besmet woord

Na `11-9' waren de anti-islamitische incidenten in Nederland talrijker en heftiger dan in andere landen. Hoe komt dit? Is de registratie van dit soort incidenten in Nederland beter dan elders? Of is door Pim Fortuyn het deksel van de hogedrukpan gevlogen? `Het wij-zij-denken is erger geworden.'

Josua Patty, geboren in Vught en van Molukse afkomst, stelt zichzelf opzettelijk bloot aan pijnlijke situaties. Het is zijn vak mensen iets bij te brengen, hen bewust te maken van hun vooroordelen, misvattingen, onbegrip en ongevoeligheid. Hij is Bam'er, Bedrijfsadviseur Minderheden, of liever gezegd, dat wás hij, want de functie die sinds 1990 bestond bij de arbeidsbureaus is onlangs afgeschaft in het kader van de zoveelste reorganisatie van de arbeidsbemiddeling.

Als oude rot geeft hij collega's de raad om bij het presenteren van kandidaten voor vacatures alleen vaardigheden en capaciteiten te noemen. Niet de burgerlijke staat of sekse, en vooral niet de geboorteplaats en naam als het om een allochtoon gaat. Pas als een werkgever duidelijk interesse heeft laten blijken en er expliciet naar informeert, zeg dan de naam, is zijn advies. ,,De reactie aan de andere kant van de lijn als de kandidaat El Bezazzi heet, is vaak voorspelbaar'', vertelt Patty. ,,Een teleurgesteld `oh'. Maar dan is het al lastiger voor een werkgever om terug te krabbelen.''

Wanneer Josua Patty personeelsmanagers adviseert hoe ze allochtone werknemers in hun bedrijf kunnen halen, gebruikt hij zichzelf als proefkonijn. ,,Wat denkt u?'', vraagt hij zijn gehoor van medewerkers van personeelsafdelingen. ,,Ben ik getrouwd?'' Het antwoord luidt meestal: `nee'. ,,Heb ik kinderen?'', vervolgt Patty, die meestal voor een Surinamer wordt gehouden, zijn quiz. Ja, is de reactie, je hebt kinderen. Vier tot zes stuks, van wie twee bij je eigen vriendin en vier bij een ander. ,,Heb ik een auto?'' Ja, en dan worden ongevraagd merk en kleur erbij genoemd: een rode Toyota of een zwarte Mercedes. Als hij vraagt waar hij de auto heeft neergezet, zegt er altijd wel iemand dat die dubbelgeparkeerd staat. Volgende onderwerp: ,,Waar woon ik?'' Antwoord uit de zaal: in een boomhut.

Spanningen in bedrijven tussen de verschillende bevolkingsgroepen zijn sinds het najaar van 2001 verergerd, is de stellige indruk van Patty. ,,Pim Fortuyn heeft ervoor gezorgd dat je je onderbuikgevoelens kenbaar mag maken. Vooral moslims moeten het ontgelden. Iemand wordt door collega's voor Saddam Hussein uitgemaakt. Of voor Bin Laden. Ha, ha, grapje. Moslim is een besmet woord geworden. Moslim betekent terrorist.''

Patty verwoordt het algemene gevoel: interetnische wrijvingen zijn toegenomen, discriminerende opmerkingen en gedragingen komen vaker voor, de aanslagen op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington hebben ook in Nederland kraters geslagen, en vooral moslims zijn de dupe. Dat is het gevoel. Maar valt het ook te staven met cijfers en gegevens? Hebben de instellingen die zich beroepsmatig bezighouden met discriminatie, racistisch geweld of bedreiging, bewijzen dat in Nederland de interetnische verhoudingen veranderd en verslechterd zijn of misschien zelfs een dramatische wending hebben genomen?

Meteen na de aanslagen van 11 september 2001 registreerde het Nederlandse monitorcentrum racisme en xenofobie (DUMC) een eruptie van antiislamitische incidenten. Van september tot eind december schaarde het monitorcentrum tachtig gebeurtenissen onder die noemer, in ernst en aard variërend van ongelijke behandeling, belediging, bekladding en bedreiging tot gewelddaden, brandstichting en vandalisme.

In de eerste vijf weken na de aanslagen werden bijna zestig incidenten vastgelegd, daarna daalde het aantal waargenomen gebeurtenissen scherp tot twaalf in november en tot negen in december. Omdat het DUMC deel uitmaakt van een Europees netwerk van monitorcentra, viel onmiddellijk op dat in Nederland de reacties erg heftig waren in vergelijking met andere Europese landen. Doelwit van brandstichting en vernieling waren onder andere moskeeën, islamitische scholen, een asielzoekerscentrum, een reisbureau en een Syrisch-orthodoxe kerk die, aan de bekladding te oordelen, door de daders werd aangezien voor een moskee.

Geweldsuitbarsting

De geweldsuitbarsting tegen islamitische symbolen en personen was in Nederland zo extreem, omdat `de politiek' alle uitingen van ongenoegen over de problemen tussen autochtonen en allochtonen decennialang had onderdrukt. Nu was het deksel van de hogedrukpan gevlogen, zo luidde een van de verklaringen die het vooral bij aanhangers van Pim Fortuyn goed deed. Een soortgelijke uitleg gaven zegslieden aan de kant van de slachtoffers van het geweld. De Nederlandse tolerantie werd ontmaskerd, de gebeurtenissen die volgden op 11 september onthulden de ware gevoelens van autochtonen jegens nieuwkomers.

Het DUMC zelf denkt dat Nederland in de Europese omgeving er misschien extra negatief uitsprong, omdat een netwerk van antidiscriminatiebureaus en -meldpunten het hele land omspant en beter dan elders incidenten opmerkt en vastlegt. Maar de meeste instellingen twijfelen er niet aan dat er in 2001 een forse toename is geweest van racistische incidenten, veelal met een gewelddadig karakter. Alleen de Monitor Racisme en Extreem Rechts, samengesteld door onderzoekers van de Anne Frank Stichting en de Universiteit Leiden, komt tot een ander resultaat. Mede op basis van politiegegevens constateert de Monitor in 2001 juist een sterke teruggang in gewelddadige incidenten (van 406 in 2000 tot 317 in 2001). Waardoor deze verrassende uitkomst veroorzaakt wordt, zeggen de samenstellers niet te weten. Wel erkennen ze ,,niet helemaal gerust [te zijn] op de betrouwbaarheid van ons statistisch materiaal''.

De vraag of de trend van bedreigingen, beledigingen, discriminatie en geweld jegens moslims zich in 2002 voortzette is minstens zo lastig te beantwoorden. De Landelijke Vereniging van Anti-Discriminatie Bureaus, waarin 38 regionale bureaus zijn vertegenwoordigd, maakt in het pas verschenen jaaroverzicht melding van een daling van het aantal klachten. Was in 2001 een aanmerkelijke stijging van meldingen over discriminatie te zien – met 11 procent – over 2002 verminderde het aantal met 3 procent landelijk en in de grote steden zelfs met 13 procent. De meeste klachten bij de Anti-Discriminatie Bureaus zijn overigens ingediend door Nederlanders (25 procent), daarna volgen Marokkanen (12 procent), Turken (7 procent) en Surinamers (6 procent). De waarde die men aan deze cijfers moet hechten wordt door de vereniging zelf gerelativeerd. De bureaus registreren en tellen nog steeds niet uniform; sommige bureaus functioneren goed, zijn bekend en krijgen relatief veel klachten; andere wisselden van bezetting of werden gereorganiseerd; lang niet allemaal hebben ze cijfers geleverd. Dus erg veel houvast bieden die niet.

Jessica Silversmith, voorzitter van de koepel van antidiscriminatiebureaus en veteraan op het gebied van het bestrijden van discriminatie, ziet als voornaamste nieuw verschijnsel dat de klachten tegenwoordig in golven komen. Klachten indienen, veelal in combinatie met het doen van aangifte bij de politie, is een massaal, soms georganiseerd, actiemiddel geworden van groepen die zich gekwetst voelen. Moeiteloos lepelt ze de data op van de gebeurtenissen die tot zo'n golf hebben geleid. Het begon in mei 2001 toen imam El Moumni homoseksuelen bestempelde tot zieken, en degenen die zich beledigd voelden massaal via het indienen van klachten protesteerden. In september 2001, de maand van de terreuraanslagen in de VS, volgde een piek van klachten van Marokkanen. De uitspraak van Pim Fortuyn over een Koude Oorlog die tegen de islam moet worden begonnen – weer een piek. Op 19 maart 2002 spreekt de Amsterdamse wethouder Oudkerk in een onbewaakt moment van `kut-Marokkanen': een golf aan meldingen was het gevolg. 13 april 2002: een demonstratie pro-Palestina, anti-Israël in Amsterdam leidt tot klachten van joodse zijde. Op 25 januari 2003 volgt een voorlopig record in de geschiedenis van de antidiscriminatiebureaus, als Ayaan Hirsi Ali de profeet Mohammed een perverse figuur noemt. De dagen daarop stromen als reactie op haar uitspraak bijna duizend klachten binnen. Bij de meeste daarvan gaat het om een standaardtekst die te vinden was op de website Marokko.nl.

Behalve pieken zijn er dalen, die volgens Silversmith evenzeer gekoppeld kunnen worden aan publieke gebeurtenissen. Opvallend vindt ze de vermindering van klachten in Rotterdam na de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart, waarbij Leefbaar Rotterdam met Pim Fortuyn als lijsttrekker eenderde van de stemmen behaalt. Eenzelfde verschijnsel is landelijk zichtbaar als twee maanden later Fortuyn vermoord wordt en op 15 mei zijn partij een grote overwinning boekt. ,,De maand mei is gewoonlijk voor ons een goeie oogstmaand'', zegt ze ironisch. ,,Vorig jaar zakten de klachten ineens in.'' Er ontstond een klimaat, zo denkt ze, waarin allochtonen niet meer durfden, waarin ze bang werden klachten te uiten of meenden toch geen gehoor te vinden.

Dat de kloof tussen groepen breder is geworden, is volgens Silversmith af te leiden uit de gegevens waarover de antidiscriminatiebureaus beschikken. ,,Er is een toenemende verharding gaande. Je hoeft er maar op een bepaalde manier uit te zien en je mag worden uitgescholden. Nederlanders schelden op moslims, moslims op joden, en portiers op donkere krullenbollen.'' Die kloof is ook af te lezen aan het feit dat er minder solidariteit getoond wordt. Nederlanders komen nauwelijks meer melding maken van vijandige bejegening van anderen. Vroeger gebeurde het vaker, merkt Silversmith.

Wij-zij-denken

Haar waarneming over de toenemende kloof tussen bevolkingsgroepen wordt gedeeld door de voorzitter van de Commissie Gelijke Behandeling prof. mr. Jenny Goldschmidt. ,,Het meest frappante in zaken die wij sinds 2001 behandelen vind ik dat de neiging om mensen in categorieën in te delen is versterkt. Het wij-zij-denken is erger geworden'', zegt ze. ,,Uit angst voor fundamentalisme en onbekendheid met de islam ontstaan over moslims negatieve ideeën. Mensen gaan generaliseren en discrimineren. Dat merk je aan de manier van praten en denken als partijen voor onze commissie verschijnen.''

In de cijfers van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) is het effect van het gewijzigde politieke klimaat niet eenvoudig te traceren. In 2001 behandelde de CGB dertien zaken in verband met godsdienst, waarvan tien te maken hadden met het dragen van een hoofddoek. In 2002 werden zes verzoeken met betrekking tot hoofddoeken beoordeeld en kunnen twee klachten direct in verband worden gebracht met 11 september.

Jenny Goldschmidt: ,,Wat wij zien is het topje van de ijsberg. Mensen doen pas een beroep op gelijke behandeling als ze zich tamelijk zeker voelen. Een vergrote kwetsbaarheid, of gevoel van kwetsbaarheid, betekent vaak dat mensen niet naar voren durven komen. Hou je maar gedeisd. Het afnemen van klachten kan ook een reden van extra zorg zijn. Al mag je natuurlijk omgekeerd niet stellen: minder klachten is meer discriminatie.''

De kwesties die voor de CGB komen en die moslims betreffen, zijn in grote lijnen tweeërlei van aard. Vrouwen hebben hoofddoekconflicten, mannen conflicten op het werk. Lang niet altijd geeft de commissie de klagende partij gelijk. De twee meisjes die zich hulden in een het gezicht bedekkende donkere sluier (niqaab) en van hun school niet langer zo mochten verschijnen, werden in het ongelijk gesteld. Volgens de CGB was hier geen sprake van verboden onderscheid, want het doel van het verbod – communicatie bevorderen, identiteit vaststellen – werd zo zwaarwegend bevonden dat hieraan ,,iedere discriminatie vreemd is''.

Naar aanleiding van het niqaab-oordeel kwamen veel reacties bij de CGB binnen, uit allerlei hoeken van de maatschappij, en die waren voor 95 procent positief. ,,Waar ik niet blij mee ben'', zegt Goldschmidt, ,,is de onevenredige aandacht ervoor, de enorme publiciteit. Het lijkt alsof we als commissie alleen bezig zijn met hoofddoeken en niqaabs. Ik ben bang dat het te maken heeft met onzekerheid in de Nederlandse samenleving. Het onderliggende terrein, discriminatie op grond van ras en godsdienst, verdwijnt uit zicht.''

Als een van de meest kwetsende verschijnselen van uitsluiting wordt discriminatie in het uitgaansleven ervaren. Maar hoe bewijs je dat? Bij een praktijktest in Tilburg, het laatste weekeinde in november 2002, bezochten koppels van twee allochtonen en twee autochtonen zeven locaties waarover veel klachten binnenkwamen. Eerst vroeg het `zwarte' koppel om toegang, terwijl het witte controleteam dat zich net zo gedroeg en net zo gekleed was, erachter stond. Slechts in één zaak werden alle teams toegelaten. Twee gelegenheden weigerden alle zwarte koppels, terwijl in de andere vier het beeld wisselend was. ,,Zelfs de jongens die bewust aan deze test meewerkten, werden woedend om wat hun overkwam. Jongeren hebben zich opgedoft, hebben zich erop verheugd om uit te gaan en dan worden ze afgewezen. Het is een toppunt van vernedering'', zegt Coby Katu-Bin-Mara van het plaatselijk antidiscriminatiebureau, die de test heeft helpen uitvoeren. Het resultaat van de test schokte het gemeentebestuur van Tilburg. Burgemeester Stekelenburg heeft deze week de aangepaste Algemene Politieverordening vastgesteld, waardoor een horecazaak na een waarschuwing voor een of twee avonden kan worden gesloten. Een dergelijke aanpak, zo is de ervaring elders, werkt effectiever dan de lange weg van een rechtszaak die hooguit tot een kleine boete leidt.

Toen burgemeester Opstelten van Rotterdam dreigde een disco een weekeinde lang te sluiten, kwam er ineens beweging in het maken van afspraken met de horeca over huisregels en arbitrage. Een panel met vertegenwoordigers van politie, horeca, jongeren, de gemeente en het antidiscriminatiebureau oordeelt elke maand over klachten en intervenieert waar nodig. ,,Opstelten heeft zich er hard voor gemaakt. Voor het eerst sinds twintig jaar heb ik het gevoel dat een aanpak van horecadiscriminatie werkt. Het aantal klachten is gehalveerd'', vertelt Cyril Triesscheijn van Radar, het antidiscriminatiebureau in Rotterdam.

Overigens neemt de politie zelf het probleem van discriminatie over het algemeen nauwelijks serieus, blijkt uit onderzoeken. ,,Twee van de drie meldingen worden van de balie afgekletst'', zegt Triesscheijn. ,,Er is weinig expertise, de politie heeft er geen zin in, ze is onderbezet en moet aan andere prioriteiten voldoen, het zijn lastige zaken waarvan de kans op succes klein is'', zo somt hij de oorzaken op.

Bij alle korpsen zijn tegenwoordig `contactambtenaren discriminatie' aangesteld, er bestaan richtlijnen en een handboek voor politieagenten. Maar de praktijk is weerbarstig. De hoofdregel waaraan het openbaar ministerie (OM) zich moet houden is dat bij overtreding van discriminatieartikelen altijd strafvervolging wordt ingesteld en dat seponeren alleen gebeurt als de zaak technisch niet rond te krijgen is. Antidiscriminatie-instellingen vinden dat het OM nog steeds te vaak seponeert om andere dan technische redenen. Het OM is het daar niet mee eens. In 2002 deed het 270 strafzaken met betrekking tot discriminatie af, wat niet sterk afwijkt van voorgaande jaren. De gevallen die voor de rechter komen, leiden meestal tot veroordeling van de dader(s).

Verhullende cijfers

Deze cijfers zijn verhullend. Want als bij andere delicten – zoals openlijk geweld, mishandeling, doodslag of moord – discriminatie een motief is, worden de zaken niet onder het kopje discriminatie geregistreerd, maar onder artikelen op grond waarvan ze worden vervolgd. Het OM schat dat er per jaar ,,zeker 200 tot 300'' van zulke delicten met discriminatie als motief voor de rechter komen. Een voorbeeld daarvan is de militair die in de nacht van 16 op 17 oktober 2001 in Apeldoorn op straat ,,fuck islam'' en ,,alle moslims moeten dood'' riep. Een Turkse voorbijganger reageerde hierop, waarna er klappen vielen, de militair in zijn auto stapte en van achteren op de Turkse man inreed, hem zwaargewond liet liggen en wegreed. De militair werd veroordeeld tot twintig maanden gevangenis.

Het openbaar ministerie doet zijn best, maar lijkt geen greep te krijgen op het gedrag van de politiekorpsen. Volgens de richtlijn moeten alle aangiften over discriminatie worden doorgestuurd aan het openbaar ministerie. In de regio Haaglanden wees een onderzoek uit dat dit in tweederde van de gevallen niet gebeurt. De processen-verbaal, voor zover ze al worden opgemaakt, blijven grotendeels op de plank liggen. Het zicht, kortom, op wat zich werkelijk aan discriminatie afspeelt of wat er aan gevoelens van discriminatie leeft, is, om in termen van mist te spreken, minder dan vijftig meter. In een evaluatie van de Landelijke Vereniging van Anti-Discriminatie Bureaus wordt geconstateerd dat de houding van de politie in vergelijking met vijf jaar geleden is verslechterd.

Khalid el Yattioui, voorzitter van Paraat, de vereniging van allochtone politiemensen, ziet dat het interne klimaat bij de politie, met name sinds september 2001, vervelender wordt. ,,Veel allochtone collega's zeggen dat ze zich onveilig voelen bij hun eigen organisatie. We hadden vorig jaar een bijeenkomst met een stuk of veertig Marokkaanse politiemensen uit heel Nederland. Veel van hen waren na 11 september bij de korpsleiding geroepen. `Hoe denken jullie erover?', zo werd hun gevraagd. Ze moesten verantwoording afleggen en een soort loyaliteitsverklaring afleggen dat ze pal achter Amerika stonden. Ook collega-agenten maakten telkens opmerkingen over Bin Laden en `jullie Arabieren'. Welk vertrouwen heb je dan in je Marokkaanse collega met wie je de straat op gaat?''

Hijzelf is tegen terrorisme, maar ook tegen de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten, tegen de oorlogen in Afghanistan en Irak. Voor zijn standpunt wil hij kunnen uitkomen, zonder bang te hoeven zijn ongeschikt voor het politievak te worden bevonden. Je mag toch een ander wereldbeeld, een andere mening hebben? Na de slechte ervaringen met 11 september wordt het onderwerp Irak, zo is zijn indruk, in onderlinge gesprekken gemeden. ,,Er wordt nauwelijks over gepraat. Je kunt er eigenlijk niet goed met elkaar over praten.''

Allochtone politiemensen, met name Marokkanen, voelen zich sinds 11 september steeds minder op hun gemak. Ze merken wantrouwen, worden naar hun idee niet betrokken bij het beleid jegens allochtone probleemjongeren, noch bij crisisteams die zijn gevormd in verband met mogelijke spanningen rondom de oorlog in Irak. Naar de indruk van El Yattioui verlaten ze bij bosjes de politie – harde cijfers hierover worden niet gegeven.

Zijn zulke verschijnselen een tijdelijke uitdrukking van argwaan die wel weer overwaait, of markeert 11 september een trendbreuk in de tamelijk gemoedelijke omgangsvormen in Nederland? Jenny Goldschmidt, voorzitter van de Commissie Gelijke Behandeling, vindt het te vroeg om een antwoord te kunnen geven. ,,Ik hoop dat het kalmeert. Het hangt erg af van de ontwikkelingen in de wereld. Eerst 11 september, toen Afghanistan, nu Irak. Veel mensen in Nederland worden beheerst door angst en onzekerheid over de onbekende ander, met alle discriminerende gevolgen van dien.''