MANEN VAN JUPITER ZIJN VAAK SPLIJTINGSRESTEN VAN OUDE PLANETOÏDEN

De meeste satellieten die om Jupiter draaien zijn niet tegelijk met deze planeet ontstaan. Het zijn de `splijtingsproducten' van grotere objecten die aanvankelijk als planetoïde zelfstandig rond de zon draaiden en kort na het ontstaan van Jupiter werden ingevangen. Dat leiden Scott Sheppard en David Jewitt, van het Institute for Astronomy van de University of Hawaii, af uit kenmerken van de banen van satellieten die in de afgelopen drie jaar dank zij de komst van gevoelige digitale wijdhoekcamera's aan de lopende band rond Jupiter worden ontdekt (Nature, 15 mei).

Sinds 2000 is het totale aantal manen bij Jupiter zo omhoogeschoten van 18 naar 60, waarmee deze planeet nu bijna de helft van alle (128) satellieten in ons zonnestelsel in zijn greep heeft.

De nieuwkomers zijn soms slechts zo'n 2 kilometer groot en behoren dus tot de kleinste Jupiterbegeleiders die men kent. Vrijwel alle zijn `onregelmatige' satellieten, dat wil zeggen met excentrische banen die grote hoeken met het evenaarsvlak van Jupiter maken of zelfs in tegengestelde richting rond de planeet draaien. Hun gemiddelde afstand tot Jupiter loopt uiteen van 7 tot 24 miljoen kilometer.

Ze onderscheiden zich duidelijk van de `regelmatige' satellieten die, op veel kleinere afstanden, in de gewone richting in het evenaarsvlak rond Jupiter draaien. Deze laatste manen ontstonden in de schijf van gas en stof waaruit ook Jupiter zelf is ontstaan, maar de onregelmatige, grillig bewegende satellieten moeten een andere herkomst hebben.

Uit de baaneigenschappen van deze onregelmatige satellieten hebben Scott Sheppard en David Jewitt nu afgeleid dat zij in minstens vijf families kunnen worden onderverdeeld. Twee ervan draaien in de normale richting om Jupiter en drie in een tegengestelde richting. Van de vijf groepen bestaan er vier uit één relatief groot object en een hele serie kleinere.

De astronomen denken dat deze families zijn voortgekomen uit een groter object dat in een baan om de zon draaide en door Jupiter werd ingevangen. De invang van deze planetoïde zou dan direct na het ontstaan van Jupiter zelf moeten hebben plaatsgevonden, omdat de planeet toen nog een zeer uitgestrekte atmosfeer had waarin een toevallige passant door wrijving kon worden afgeremd.

Kort na deze invang zou de voormalige planetoïde door een botsing met een andere passant, bijvoorbeeld een komeet, uiteen zijn geslagen. Momenteel is de kans op zo'n botsing klein, maar uit onderzoek aan kraters op de maan en andere hemellichamen is gebleken dat er kort na het ontstaan van het zonnestelsel zoveel `kosmisch afval' door het zonnestelsel vloog, dat de kans op een botsing wel honderdduizend maal zo groot was. In de afgelopen jaren zijn ook bij Saturnus, Uranus en Neptunus onregelmatige satellieten en satellietenfamilies ontdekt. Ook die moeten door het uiteenvallen van grotere objecten zijn ontstaan.

Het onderzoek aan deze satellieten, waarvan er ongetwijfeld nog vele zullen worden gevonden, geeft astronomen zo weer een beter inzicht in de processen die zich in het jonge zonnestelsel moeten hebben afgespeeld.