In de rij bij het sporttribunaal

Het sporttribunaal in Lausanne voorziet in een behoefte. Het aantal zaken dat bij de Court of Arbitration for Sport (CAS) stijgt fors.

De instelling van een hooggerechtshof voor geschillen in de sport was een idee van Juan Antonio Samaranch, oud-voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité. De Spanjaard werd daar deze week bij de sportconferentie in Madrid nog eens voor geprezen door Matthieu Reeb, de Zwitserse secretaris-generaal van de Court of Arbitration for Sport (CAS). Als inleider van het eerste internationale congres voor sportadvocaten meldde hij een forse stijging van het aantal zaken bij tribunaal.

Sinds de oprichting in 1983 toen het tribunaal nog een onderdeel was van het IOC heeft CAS 502 (gemiddeld zo'n 25 per jaar) kwesties behandeld. Vorig jaar alleen al waren dat er 70. En de toename zet zich voort, want vorige maand werden twaalf conflicten aan CAS voorgelegd. Daarmee komt het aantal keren dat aan het CAS een wordt gevraagd in 2003 vrijwel zeker boven de honderd. Reeb wilde er maar mee zeggen dat CAS zijn bestaansrecht heeft bewezen. Met dank aan Samaranch.

Op grond van de Zwitserse rechtspraak is CAS in 1994 losgeweekt van het IOC. Er werd een overkoepelend orgaan International Court of Arbitration for Sport (ICAS) in het leven geroepen dat verantwoordelijk is voor opstelling van de code, bewaking van het budget à vier miljoen Zwitserse Francs per jaar en werving van in totaal 150 arbiters en bemiddelaars. Onder die paraplu functioneert CAS als een zelfstandig tribunaal. In ICAS zijn met elk vier leden het IOC, de internationale sportfederaties, de atleten, de nationale olympische comités en onafhankelijken vertegenwoordigd. Met uitzondering van de sporters zorgen die partijen ook voor de financiering.

Naast het hoofdkantoor in Lausanne CAS kantoren in Sydney en New York en worden sedert `Atlanta' in 1996 bij alle Olympische Spelen ad hoc-commissies van arbiters samengesteld, die op locatie geschillen snel kunnen afhandelen.

CAS behandelt geschillen, beroepszaken en kan een opinie worden gevraagd, zoals recentelijk bij het meningsverschil dat de internationale atletiekfederatie had met de Amerikaans atletiekbond. Die weigerde namen vrij te geven van atleten die in aanloop naar de Spelen van Sydney op doping waren betrapt. En CAS oordeelde dat die geheimhouding op grond van de Amerikaanse privacywetgeving rechtmatig is.

40 procent van de zaken die aan CAS worden voorgelegd hebben betrekking op doping. Verder betreft 20 procent van de zaken onenigheid in selectieprocedures en 10 procent handelt over meningsverschillen bij contracten.

Tot grote tevredenheid van Reeb heeft de wereldvoetbalbond FIFA vorig jaar november, in navolging van de Europese federatie UEFA, besloten CAS te erkennen als (laatste) beroepsinstantie. Voetballers hebben het recht conflicten over transfers, contracten en honoraria aan CAS voor te leggen. Nationale voetbalfederaties hebben zelfs de bevoegdheid rechtstreeks CAS in te schakelen.

Hoewel vrijwel alle sportfederaties CAS erkennen en er in de sportwereld een brede consensus over de status bestaat, ondergaat het sporttribunaal deze zomer een belangrijke toets over zijn onafhankelijkheid. De Russische skiloopsters Larissa Lazutina en Olga Danilivo zijn na een voor hen onbevredigende vonnis van CAS naar de Zwitserse rechter gestapt. De Russinnen leggen zich niet neer bij de uitspraak dat het IOC hun de in Salt Lake City gewonnen medaille rechtmatig is afgenomen. De Russinen zouden zijn betrapt op gebruik van een hormoonpreparaat. Zij trekken de onafhankelijkheid van CAS ten opzichte van het IOC in twijfel en willen daarover een oordeel van de Zwitserse rechter. Reeb: ,,Een belangrijke rechtszaak, omdat het een test is voor de structuur van CAS.''