`Geen pistool bij de portier'

Paul Gademan is hoofdinspecteur bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en vuurwapendeskundige. Hij gelooft niet dat Nederland wordt overstroomd door een golf van illegale vuurwapens. De schatting van het Tilburgse onderzoeksinstituut IVA, dat door middel van georganiseerde smokkel jaarlijks tien- tot twintigduizend scherpschietende vuurwapens ons land binnenkomen, noemt hij ,,nattevingerwerk''. Zonder cijfers te willen noemen, zegt hij dat het er ,,feitelijk veel minder'' zullen zijn.

Als het waar zou zijn dat er jaarlijks zo veel vuurwapens Nederland binnenkwamen, zo stelt Gademan, zou het aantal illegale wapens steeds groter moeten worden en voor die aanname bestaat geen grond. ,,Jaarlijks worden in Amsterdam 50.000 aanhoudingen verricht''. Gademan denkt dat dat een ,,redelijke steekproef'' mag heten. ,,We nemen in Amsterdam ieder jaar een paar honderd scherpschietende vuurwapens in beslag. Je mag aannemen dat wat in beslag wordt genomen ook weer wordt aangevuld. Maar we vinden geen significante toename van vuurwapenbezit''. Hij verwacht ook niet dat dat gauw zal gebeuren: ,,Vuurwapens passen niet in onze cultuur.''

Gademan noemt het ook ,,een fabeltje'' dat iedere willekeurige burger via de bijna spreekwoordelijke taxichauffeur zo aan een wapen zou kunnen komen. Ook dat alle portiers in Amsterdam een vuurwapen zouden hebben, rangschikt hij onder de noemer urban lore. ,,De malafide portier in Amsterdam behoort grotendeels tot het verleden'', evenals de taxichauffeur in vuurwapenland. Volgens Gademan moet je ,,een bekende zijn van het netwerk en de verkoper kennen''. Bovendien moet je voor de verkoper een verhaal hebben waarom je een vuurwapen nodig hebt. Daarbij heeft het ene criminele netwerk makkelijker toegang tot het vuurwapenhandelsnetwerk dan het andere.

Een niet te onderschatten handelsnetwerk wordt gevormd door de legale wapenhandel en de wapenfabrieken. Alleen al in Amsterdam zijn er 7.500 vuurwapens in legaal bezit. Er zijn 2.500 vergunninghouders, met name sportschutters, die gemiddeld drie wapens in hun bezit hebben. ,,Zij worden regelmatig gecontroleerd en er is vrijwel nooit iets mis'', zegt de politieman. Gademan pleit ervoor dat een vuurwapen, net als een auto, met kenteken wordt geregistreerd op eigenaar, een soort Rijksdienst voor Vuurwapenverkeer.

Gademan benadrukt dat handel in wapens ,,peanuts'' is, in vergelijking met handel in andere contrabande. Hij noemt deze handel ,,een bijproduct'', en verwijst naar de wapenvondst in Amsterdam in september 1999 waarbij voor omgerekend bijna 140.000 euro aan wapens, waaronder bijzondere schietparaplu's en -koffers werden aangetroffen en voor bijna 2,3 miljoen euro aan xtc.

Als antwoord op de vraag wie een vuurwapen willen, verwijst Gademan naar het onderzoek De vuurwapengedetineerde aan het woord van bureau Eysink, Smeets en Etman (ES&E). Zij onderscheiden de `kleine crimineel', de `crimineel op niveau' en de `grote crimineel'.

De kleine crimineel is vaak een jonge, startende ondernemer, bijvoorbeeld een drugsdealer op straatniveau. Volgens Gademan ziet de kleine crimineel zijn wapen als gereedschap voor zijn werk of hij vindt het gewoon stoer. Het is deze vuurwapendrager die zijn wapen vaak ,,impulsief'' gebruikt, zegt hij, ,,die bij wijze van spreken iemand overhoopschiet voor een euro''. De crimineel op niveau opereert meer op regionaal niveau en heeft een relatief uitgebreid netwerk. De grote crimineel is vaak internationaal actief en loopt betrekkelijk weinig risco, omdat hij het gevaarlijke werk uitbesteedt. Deze criminelen gebruiken hun wapens om zichzelf te beschermen en vaak ook uit machtsvertoon.

De kleine crimineel trekt een omgebouwd Tanfoglio gasalarmpistool, zo blijkt uit de statistieken. Wat heeft de grotere boef op zak, op zolder of op het nachtkastje? Dat weet hij soms zelf niet. Er is in criminele kringen een levendige handel in `namaakmerken'. Laat de grotere boef trots zijn Smith and Wesson zien, zijn Glock of Sig Sauer, dan is deze vaak net zo echt als een Rolex uit Thailand. Natuurlijk, hij schiet wel echt, maar het is ,,een nepper'' uit een wapenfabriek in het voormalige Joegoslavië.

De allerkleinste crimineel trekt meestal iets tevoorschijn waarmee alleen kan worden ,,afgedreigd''. Gademan spreekt zijn zorg uit over de gas/alarmpistolen, de replica's en de luchtdrukwapens die weliswaar een mens niet dodelijk kunnen doorboren, maar die er wel bedriegelijk echt uitzien. ,,Als politieman kan je plotseling voor een keus komen te staan, die je niet wil maken'', zegt hij en schetst het beeld van een puber die in de schemering een nepwapen in handen blijkt te hebben.