`Eindelijk hielp de overheid'

Wat maakte de familie Gutmann, wier collectie afgelopen week in Amsterdam werd geveild, als eerste succesvol in het terugkrijgen van hun kunst uit Nederlands staatsbezit?

`Opgelucht' voelt Nick Goodman zich de dag na de veiling van één van de grootste verzamelingen kunstnijverheid die Nederland tot 1943 huisvestte: de collectie Gutmann. De veilingzaal zat dinsdag vol met familie: de dochter van het door de nazi's vermoorde verzamelaarspaar, Lili Collas-Gutmann, was met haar dochter en enkele kleinkinderen overgekomen uit Italië. Kleinzoon Nick Goodman, die recent veel werk verzette voor de teruggave van de verloren gewaande verzameling, was er ook.

Allen volgden met spanning de vaak onverwacht hoge opbrengsten van de collectie die door de nazi's uit Nederland werd geroofd en waarvan het leeuwendeel na 1945 door de Nederlandse staat werd geconfisqueerd en in musea geplaatst. De familieleden houden elk enkele stukken. Goodman (1945), freelance decorontwerper in Los Angeles, is behalve opgelucht ook tevreden over de opbrengst van bijna 1 miljoen euro. In Londen worden op 11 juni nog drie zilveren renaissancebokalen geveild die het Rijksmuseum decennia lang op zaal had staan. De verwachte opbrengst daarvan is 1,5 miljoen euro.

Nicks zoektocht begon na de dood van zijn vader Bernard in 1994. Op diens werkkamer vond hij stapels veilingcatalogi, waaruit bleek dat Bernard, samen met zijn zuster Lili, zijn hele leven had gezocht naar stukken uit de collectie. Nicks tante Lili had pas nog een vergeefse speurtocht in de kelders van Russische musea ondernomen. Ze had aanvankelijk geen moed voor een nieuwe ronde. In augustus 2000 diende Nick een hernieuwde claim in bij de Commissie-Ekkart.

Waarom lukt de tweede generatie wat de eerste ondanks veel meer jaren van inzet niet gedaan kreeg? Lili Gutmann (1919), journaliste en nog vloeiend Nederlands sprekend, vertelt hoe zij en Bernard na een gewonnen proces in 1952 slechts gedaan kregen dat de familie de enkele opgespoorde stukken terug mocht kopen van de staat, omdat vader Fritz ze immers verkocht had aan de nazi's. Dat hij dit onder dwang deed en de opbrengst nooit ontving, speelde geen rol. Ook werd niet verteld dat er nog veel meer stukken uit de collectie in staatsbezit waren. ,,De bewijslast lag bij de nabestaanden. Die voorwaarde is sinds de Commissie-Ekkart versoepeld. Bovendien hebben het Instituut Collectie Nederland en de Inspectie Cultuurbezit nu eindelijk actief meegeholpen'', zegt Lili. Dat overheidsarchieven vijftig jaar na de oorlog toegankelijk werden, hielp bij de speurtocht.

Bovendien streed Nick Goodman niet alleen. Samen met Marei von Saher, de schoondochter van de kunsthandelaar Jacques Goudstikker, en Christine Koenigs – kleindochter van de verzamelaar Franz Koenigs – schakelde hij het World Jewish Congress (WJC) in. Het WJC had net bereikt dat Nederlandse financiële instellingen schadevergoedingen hadden uitgekeerd aan joodse organisaties. ,,Een paar telefoontjes van het WJC met Nederlandse autoriteiten hadden al effect.'' Volgens Nick is de zaak Gutmann relatief eenvoudig, waardoor het nu de eerste gerealiseerde restitutie van serieuze omvang in ons land is. Anders dan bij de familie Goudstikker/Von Saher ligt er geen getekende overeenkomst met de Nederlandse staat, en evenmin zijn er verwikkelingen met het oorlogsrecht zoals bij een deel van de Koenigs-collectie. Nick hoopt op een precedentwerking. ,,Er zijn nog zoveel andere zaken die niet zijn afgehandeld met de nabestaanden.''

Een betaalde onderzoeker van de familie haalde steeds meer verloren gewaande stukken boven water. Lili's nauwkeurige geheugen bleek onontbeerlijk bij de identificatie: een catalogus van de omvangrijke, door meerdere generaties opgebouwde verzameling was er niet. De nazaten moesten zich behelpen met een inventaris die de nazi's in 1943 opstelden. De hernieuwde speurtocht in 2000 leverde 233 voorwerpen op, die de familie in september vorig jaar terugkreeg.

Daar zat werk bij uit het Rijksmuseum. Volgens Nick wilde dat museum de voorwerpen niet overdragen aan het ICN, maar zelf met de familie onderhandelen. ,,Dat zou hen het recht van eerste koop hebben gegeven, terwijl zij het al zestig jaar oneigenlijk in bezit hebben gehad. De provenances staan gewoon in de catalogi van het Rijks: `collectie Gutmann'. Daar hebben ze nooit iets mee gedaan. Ik ben daar woedend over.'' Het Rijksmuseum heeft twee stukken die het in de vaste opstelling had op de veiling aangekocht: twee 18de-eeuwse Meissen sake-flesjes en een vroeg 18de-eeuwse spiegel. Ook andere musea bezaten Gutmann-stukken. Zo had Het Loo een 18de-eeuwse Italiaanse canapé, het Bonnefantenmuseum 16de-eeuwse Vlaamse gobelins en Rijksmuseum Twenthe een 16de-eeuws schilderij van Jacob Elsner.

Nick heeft in Amerika een Renoir en een pastel van Degas opgespoord. ,,En Christine Koenigs heeft voor ons de verdwenen Botticelli gevonden in een catalogus van Sotheby's.'' Hij was door een Europese verzamelaar aangeboden en al doorverkocht, maar de familie liet beslag leggen. ,,De onderhandelingen die toen volgden, waren ronduit beangstigend. Ik werd bedreigd met juridische kosten tot 5 miljoen dollar, en stond te trillen op mijn benen. Maar toen ik met de verkoper onder vier ogen ging praten, was de zaak in vijf minuten geschikt. We hebben een percentage van de opbrengst ontvangen en het schilderij is nu in een museum in Texas.''

De zoektocht is nog niet ten einde, juist de belangrijkste meesterwerken ontbreken nog: naast meubels en Meissen porselein onder meer een Holbein, een Cranach, een Van Goyen en diverse Guardi's.

De vraag blijft, net als bij de Nederlands-joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, waarom Fritz en Louise Gutmann ondanks hun geld en goede contacten niet tijdig zijn gevlucht. En dat terwijl familieleden Duitsland allang verlaten hadden. ,,Mijn vader voelde zich onkwetsbaar'', aldus Lili. ,,Hij had een Duitse onderscheiding omdat hij krijgsgevangene was tijdens de Eerste Wereldoorlog, hij vertegenwoordigde een van de meest vooraanstaande Duitse bankiersfamilies die bovendien al twee generaties protestants was. En hij wilde de collectie niet onbeschermd achterlaten. Zelfs toen hij was gedeporteerd naar Theresienstadt weigerde hij te tekenen voor de overdracht van de resterende kunstwerken aan de nazi's. Ik zeg wel eens: hij beschermde de familiecollectie als het goud in Wagners Nibelungen.''