Een tipje van de sluier

Hij wandelt zonder habijt maar niet zonder God: frater Willibrordus in Borculo. Hij is 75 en getuigt in woord en gebaar van een blijmoedigheid die ik al eerder bij kloosterlingen heb mogen observeren. Ik persoonlijk betwijfel of dit leven zalig maakt, maar rust geeft het kennelijk wel.

,,Wist u'', vraag ik, ,,dat psyche in het Grieks zowel vlinder als ziel betekent?''

Nee, dat wist hij niet.

,,Nou ja'', zeg ik, ,,ik wist het zelf ook niet, maar iemand zei het eens tegen me en het is me altijd bijgebleven.''

En dan zegt frater Willibrordus: ,,Wij geloven in de verrijzenis van een verheerlijkt lichaam, en je vraagt je wel eens af hoe dat eruit moet zien en dan denk ik: misschien gaat het zoals een pop in een vlinder verandert – dan zie je uit een oude gedaante toch een geheel nieuwe creatie ontstaan.''

Hij behoort tot de Fraters van Utrecht, eigenlijk: de Congregatie van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart,in 1873 door monseigneur Schaepman gesticht om het katholieke onderwijs te bevorderen. Hij woont in Borculo in het fraterhuis bij de Leostichting, nu een tehuis voor moeilijk opvoedbare jongens en meisjes, oorspronkelijk door de fraters opgezet als internaat voor wees- en voogdijkinderen. Allemaal geschiedenis, meneer.

Zo'n internaat dreef indertijd natuurlijk zijn eigen boerderij en toen hij, frater Willibrordus, hier in 1982 zijn intrek nam, was frater Jeroen al jaren bezig om een oude akker om te vormen in een wildebloementuin. Monnikenwerk. Telkens een stukje omspitten en daar dan het zaad uit wegbermen inzaaien. Tot dit werk voelde frater Willibrordus zich aangetrokken.

,,Maar ik vond het ontzettend moeilijk'', zegt hij, ,,om al die planten te herkennen en te onthouden, en toen ben ik in een schriftje gaan bijhouden wanneer ze in bloei kwamen.''

Zo ontstond, bij toeval eigenlijk, een logboek waaruit je, binnen een tijdsbestek van twintig jaar al, de opwarming van de aarde kunt aflezen. Alles komt steeds vroeger. Dat zie je aan de planten, dat zie je ook aan de vlinders.

,,Dit jaar'', zegt hij, ,,noteerde ik het eerste oranjetipje op 31 maart. Nu was ik een week in het buitenland geweest, in werkelijkheid schijnt hij op 24 maart al te hebben gevlogen. En vorig jaar stond ik nog paf van 3 april!''

Hij heeft het kijken afgekeken – van frater Jeroen het kijken naar planten, van een meisje uit Neede, zijn vlindermeisje, een jaar of 17 was ze toen, het kijken naar vlinders. Ze belde op om te vragen of ze de tuin mocht inventariseren; in 1989 was dat, het nationale vlinderjaar.

Oranjetipje dus, en bont zandoogje, kleine vos, geaderd witje, koolwitje, dagpauwoog, landkaartje, boomblauwtje, citroenvlinder en kleine vuurvlinder. De lijst van dit jaar vordert al aardig, Maar één ding kunnen we wel uit ons hoofd zetten: vandaag vliegen ze niet. Begin mei weliswaar, maar het is koud, het is bewolkt.

Zo, zonder het gewoel van zijn gasten, maakt de tuin nog meer de indruk van een goed voorziene dis. Slanke sleutelbloem, wijst frater Willibrordus, bosviooltje, cypreswolfsmelk, donkere ooievaarsbek...en in elk hoekje, bij elk plantje, valt wel de naam van een vlinder.

,,Grote brandnetel'', zegt hij. ,,Er zijn verschillende vlindersoorten die hun eitjes afzetten op brandnetels, en dan kiest de kleine vos voor brandnetel in de zon, de dagpauwoog voor brandnetel in de schaduw en het landkaartje voor brandnetel bij een houtwal.''

Borden, glazen en het zilveren bestek op smetteloos damast, alles in gereedheid en de tafelschikking is bekend; de bel hoeft maar te luiden of het feest kan beginnen.

,,Dus hier'', zeg ik, ,,celebreert u Gods schepping.''

,,Nou'', zegt hij, ,,ik ga hier geen preek houden. Ik vind het al mooi als je mensen in verwondering brengt.''

,,Maar het snoeien en schoffelen doet u zelf.''

,,Maar zo'n tuin blíjft je verrassen, je kunt hem nooit helemáál naar je hand zetten.''

Het zijn zijn laatste weken hier. De tuin bloeit, maar de kerk kwijnt. Het fraterhuis, voor twintig bewoners gebouwd, moet sluiten. Afgelopen kerst waren ze nog maar met z'n achten. Een paar gaan er naar Arnhem, een paar naar De Bilt.

,,Uiteindelijk gaan we allemaal naar De Bilt'', zegt frater Willibrordus, ,,al was het maar omdat we daar begraven worden.''

,,Doet het geen pijn om dit achter te laten?''

,,Jawel, jawel, ik heb dagen gehad dat ik dacht: wat voel ik me rot, wat zou er toch zijn?''

,,Maar u mag zich niet hechten.''

,,Wij hebben geleerd te gehoorzamen.''

In de toekomst van de tuin heeft hij alle vertrouwen. Als gegadigde voor de hele bezitting heeft zich een `spirituele groepering' gemeld en die mensen hebben al gevraagd of hij ze een tijdje wil coachen. Over de aard van hun spiritualiteit mag bij niet uitweiden, maar het is wel duidelijk: de vlinders van Borculo zullen van de moederkerk naar een meer oosters gerichte mystiek overgaan.

Frater Willibrordus zelf zit dan in Arnhem, in het St. Eusebiushuis aan de Rijn. Zijn kamer is gereserveerd, en een stuk tuin ook, een grasveldje met een paar oude fruitbomen. ,,Dat wil ik ontginnen, en ik heb zelfs waarschijnlijk al wat hulp.''

Van vlindervriendelijke planten neemt hij zaden mee. En van de oranjetipjes een stuk of twintig rupsen natuurlijk. Rupsen van oranjetipjes heeft hij eigenlijk altijd al verzameld. ,,Als ouwe schoolmeester hou ik ervan om aanschouwelijk te werk te gaan.''

Voor mensen die zijn tuin bezoeken of zijn lezingen bijwonen – van oranjetipjes kun je het hele jaar door wat laten zien. Zo is hij, in alle onthechtheid, op oranjetipjes toch wel bijzonder gesteld geraakt. Ze behoren tot de witjes. Ze hebben die schitterend gemarmerde vleugels, waarvan de tippen bij de mannetjes doorschijnend oranje zijn en bij de vrouwtjes, subtieler maar zeker zo aantrekkelijk, fluweelgrijs.

Ze vliegen maar een dag of veertien. Ze zetten hun eitjes, oranje korreltjes, af op het vruchtbeginsel van pinksterbloem of look-zonder-look. De rupsen zijn groen en zelfs voor vogels nauwelijks te vinden. Voor de overleving van de poppen zijn houtige gewassen nodig. Ze hechten zich als doorntjes aan een stengel en moeten daar tien maanden en een week blijven hangen. Pitrus kan, maar zoiets stevigs als judaspenning is betrouwbaarder.

Oranjetipjes zijn betrekkelijk algemeen, maar hebben ook een betrekkelijk riskante leefwijze. Ze leggen een grote plaatstrouw aan de dag en produceren maar één generatie per jaar. Van vlinder naar ei naar rups naar pop, en dan vliegen ze weer, dan dansen ze – omdat het weer gelukt is.

Frater Willibrordus ziet aan de vraatsporen waar hij ze moet zoeken, die bijna onvindbare rupsen. Hij zet ze met wat judaspenning in een gazen kooitje. Tien maanden en een week. Zoals gezegd: hij houdt van aanschouwelijk onderwijs. Dus dat kooitje, met de laatste pop van vorig jaar, staat in een beschut hoekje van de tuin op een tafel en wij zitten op klapstoeltjes ernaast.

,,Daar in Arnhem'', vraag ik, ,,heb je daar een muur om de tuin?''

,,Moet dat dan?'', vraagt hij op zijn beurt.

,,Ja'', zeg ik vaag. mijn gedachten zijn afgedwaald naar de ommuurde kloostertuin in de literaire traditie, altijd de aankondiging van diepe devotie of liederlijke uitbarstingen. Alleen de devotie is gebleven, de liederlijkheid is de wijde wereld ingetrokken.

,,Verkeert u hier met God?'', vraag ik.

,,Niet rechtstreeks. Wij verkeren met God in de huiskapel.''

,,U bidt hier niet?''

,,Ik probeer het wel eens'', zegt frater Willibrordus. ,,Ik ga hier wel eens met het getijdenboek op de bank zitten, 's morgens om kwart over zeven ongeveer. Dan wil je bidden, maar de vogeltjes, de insecten...soms komen er reeën in de tuin... en dat leidt toch af.''