Buitenlandse politiek splijt EU-conventie

Binnen de Conventie over de toekomst van Europa is nog geen enkel zicht op overeenstemming over het buitenlands beleid van de Europese Unie. Om die te bereiken resten de Conventie nog vijf weken.

De Conventie moet medio juni regels voor het Europese buitenlands en veiligheidsbeleid in een ontwerp voor een constitutioneel verdrag van de EU vastleggen. Maar tijdens het debat dat gisteren in de Conventie plaatshad werd de diepe verdeeldheid binnen Europa alleen maar benadrukt.

Veel leden van de Conventie zeiden geen herhaling meer te willen van de Europese onenigheid over de oorlog in Irak. Bovendien wezen zij op een opiniepeiling waaruit blijkt dat 73 procent van de Europese bevolking wil dat de EU een eensgezind buitenlands beleid voert. Maar over zo'n eensgezind beleid verkondigden zij radicaal tegengestelde meningen.

Peter Hain, de vertegenwoordiger van de Britse regering, zei dat een Europees buitenlands beleid alleen een succes kan worden wanneer de EU-lidstaten volledige soevereiniteit behouden. Een EU-beleid mag volgens hem geen beperking zijn voor een individueel beleid van de landen afzonderlijk. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Dominique de Villepin, daarentegen bepleitte een Europees buitenlands beleid dat de EU-landen ,,in principe'' met een gekwalificeerde meerderheid bepalen. Hij maakte niet duidelijk welke uitzonderingen hij voor die regel wilde.

Elmar Brok, Duits europarlementariër, wilde niets van vetorecht van lidstaten weten, ,,ook al staan nationale belangen op het spel''. De benoeming van een Europese minister van Buitenlandse Zaken, wat de meeste Conventieleden aanvaarden, verandert volgens hem niets wanneer de lidstaten vetorecht behouden. ,,Een minister van Buitenlandse Zaken is niet voldoende om een crisis als over Irak in de toekomst te voorkomen'', zei de Italiaanse parlementariër Lamberto Dini. Als er geen besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid komt, ,,blijft de zaak bij het oude, dat wil zeggen bij het ontbreken van een Europees buitenlands beleid.''

Gijs de Vries, de Nederlandse regeringsvertegenwoordiger, zei dat Europese leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in de toekomst gebonden moeten zijn aan een gemeenschappelijk Europees standpunt. De vertegenwoordigers van Groot-Brittannië en Frankrijk, beide permanente leden van de Veiligheidsraad, zeiden daar niets op.

Hoewel er consensus is over de benoeming van een Europese minister van Buitenlandse Zaken, waren de conventieleden verdeeld over zijn functieomschrijving. Van de Brit Hain mag hij tevens Eurocommissaris zijn, maar moet hij niet gebonden zijn aan de besluitvorming van de Europese Commissie. Brok daarentegen vond dat de staf van de toekomstige minister onder de Commissie moet ressorteren, ook als hij taken uitvoert waarover de Commissie geen zeggenschap heeft.