Amerikaanse toezichthouders draven door

Te veel koks bederven de brij. Hetzelfde kan worden gezegd over toezichthouders.

Neem het onderzoek in de Verenigde Staten naar `tying', de praktijk waarbij een bank een lening verstrekt op voorwaarde dat de ontvanger gebruik maakt van de diensten van dezelfde bank bij het afwikkelen van de betreffende transactie. Niet minder dan vijf toezichthouders en overheidsinstellingen voeren dat onderzoek uit. Dat betekent niet alleen verwarring en nodeloze tijdverkwisting voor de onderzochte banken; het riekt ook naar overdaad, en dat is ongezond.

Tying is een dankbaar doelwit voor overijverige toezichthouders. Het is in politieke zin een hete aardappel sinds het Amerikaanse Congres vier jaar geleden de laatste barrières slechtte tussen zakenbanken en handelsbanken. Tying speelde een rol in twee van de grootste recente bedrijfsschandalen in de VS – die van Enron en Global Crossing. De handelwijze is wellicht in strijd met de Amerikaanse wet. De Bank Holding Company Act uit 1970 verbiedt banken hun klanten andere diensten op te dringen in ruil voor een lening. Tying zou de concurrentie belemmeren, omdat banken leningen gebruiken om andere activiteiten mee te subsidiëren. Goldman Sachs klaagt bijvoorbeeld al jarenlang dat concerns als Citigroup zich op die manier een positie op de markt voor zakenbanken proberen te verwerven. En tying zou ook een systeemrisico inhouden, omdat het banken aanmoedigt kredieten te verstrekken zonder zich al te veel zorgen te maken over de kredietwaardigheid van de debiteur.

Tying is ongetwijfeld riskant. Het kan een handelsbank ertoe verleiden besluiten te nemen die schadelijk zijn voor zijn activiteiten. De aandelenkoersen van Citigroup en JP Morgan hebben geleden onder zorgen daaromtrent. Maar is al deze ijver van de toezichthouders werkelijk nodig?

In juridisch opzicht is er nader beschouwd weinig aan de hand. De wet uit 1970 is zeer onduidelijk en geldt sowieso niet voor instellingen die geen banken zijn, zoals Goldman en bepaalde dochters van Citigroup. Of de wet moet worden aangescherpt is een zaak van het Congres.

Tying is wellicht ook niet concurrentiebedervend. Handelsbanken gebruiken een terrein waarop zij een concurrentievoordeel genieten – leningen – om activiteiten te subsidiëren op een markt die zij willen binnendringen. Dat is normaal gedrag voor bedrijven. Bovendien kan het geen kwaad erop te wijzen dat handelsbanken wellicht minder snel geneigd zullen zijn jacht te maken op de klanten van zakenbanken, als die laatsten hun tarieven zouden verlagen, die lang kunstmatig hoog gehouden zijn.

Het beste argument tegen tying is dat van het systeemrisico. Het is aanlokkelijk voor een bank om vandaag een vette premie te incasseren en nog geen zorgen te maken over een oninbare lening.

Maar het is verre van zeker of een heel leger toezichthouders nodig is om dit te onderzoeken. Het behoort tot de taken van de Federal Reserve (het systeem van Amerikaanse centrale banken) om de gezondheid van het financiële systeem te waarborgen, niet tot de taken van beurstoezichthouder SEC.

De hele toestand wekt de indruk van kuddegedrag, dat kan tot onnodige regelgeving leiden. Dat komt op hetzelfde neer als het heffen van belasting op kapitaal, wat niet alleen slecht is voor Wall Street, maar ook voor de beleggers zelf.

Onder redactie van Hugo Dixon.

Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com.

Vertaling Menno Grootveld.