Werkende Belg is productief, maar schaars

België gaat zondag naar de stembus en zal onder meer premier Verhofstadt afrekenen op zijn belofte van vier jaar geleden om van het land een `actieve welvaartsstaat' te maken. De Belgische werknemer is productief, maar er zijn er steeds minder van.

Je zou het de Belgische paradox kunnen noemen. Nergens ter wereld is een werknemer productiever dan in België. Volgens een vorig jaar gepubliceerd rapport van het Amerikaanse onderzoeksbureau The Conference Board produceert een Belg per gewerkt uur zelfs ruim twaalf procent meer dan een Amerikaan. Die hoge productiviteit is het gevolg van de extreem lage arbeidsparticipatie. Want in België werken alleen de allerproductiefsten. De hoge Belgische arbeidsproductiviteit heeft dus haar keerzijde.

Premier Guy Verhofstadt beloofde in 1999 bij het aantreden van de paars-groene coalitie van België een `actieve welvaartsstaat' te maken. De Nationale Bank constateert dat de werkgelegenheidsgraad in België ,,nog steeds tot de laagste in Europa behoort''. De Brusselse hoogleraar Jef Vuchelen zegt: ,,Het is half gelukt.'' Met een werkgelegenheidsgraad van 62 procent van de beroepsbevolking ligt België zo'n drie procentpunten onder het gemiddelde in de Europese Unie. Ter vergelijking: Nederland heeft een participatiegraad van ruim 70 procent, maar daar zitten veel deeltijdwerkers bij. Onder ouderen (55- tot 64-jarigen) scoort België met een kwart actieven het allerlaagst in de EU.

,,De regering-Verhofstadt heeft het probleem van de lage participatiegraad op de agenda geplaatst, maar iets eraan doen is moeilijker'', zegt Vuchelen. Waar Nederland de WAO gebruikt om overtollige werknemers te lozen, kent België het brugpensioen. ,,Bedrijven ontslaan hun 50-plussers zonder dat ze in de werkloosheidsstatistieken terechtkomen'', aldus Vuchelen. Volgens hem is de situatie op den duur onhoudbaar. Want de toekomstige pensioenverplichtingen, die uit de overheidskas moeten worden gefinancierd, groeien door vergrijzing. Geen politicus durft aan het brugpensioen te komen. Wel zijn maatregelen genomen die het aantrekkelijker maken ouderen in dienst te hebben.

Onder invloed van de liberalen was belastingverlaging – waaronder afschaffing van de `crisisbelasting' uit de jaren negentig – speerpunt van paars-groen. De werkgelegenheid zou worden gestimuleerd door arbeid goedkoper te maken. Nu is de lastendruk op arbeid nog de hoogste in de eurozone. Het belastingplan werd over een periode tot 2005 uitgesmeerd. De verlaging van de belastingen is deels tenietgedaan door verhoging van lokale tarieven. Volgens de Nationale Bank gingen de Belgen er vorig jaar per saldo toch 1,7 miljard euro (0,7 procent van het bbp) op vooruit. Dit jaar komt de lastenverlaging uit op 2,2 miljard euro. De vennootschapsbelasting ging per 1 januari 2003 van 40 naar 34 procent, waardoor België iets onder het Europese gemiddelde zit. Het effect is onzeker, omdat de operatie is gefinancierd door het schrappen van aftrekposten.

De werkloosheid is na een aanvankelijke daling onlangs weer boven het half miljoen gestegen. Al probeerde premier Verhofstadt er in een publicitair offensief zo'n 100.000 vanaf te praten door jonge werklozen zonder volledige uitkering niet mee te tellen. Volgens een analyse van KBC-bank is de werkloosheid de afgelopen regeerperiode wel degelijk gestegen. Maar er kwamen volgens KBC ook 126.000 nieuwe banen bij, al hield Verhofstadt het op 160.000. Per saldo heeft België het volgens KBC met de werkgelegenheid toch beter gedaan dan veel andere EU-lidstaten.

Uit officiële cijfers blijkt dat de Belgische werkgelegenheid resistenter is bij de economische vertraging dan de Nederlandse. Volgens de Europese Commissie moet België doorgaan met hervorming van belastingen en loonmatiging. Een aanbeveling van de OESO om regionale CAO's af te sluiten wegens de grote verschillen tussen Vlaanderen en het armere Wallonië is door de politieke gevoeligheid vooralsnog onuitvoerbaar.

Voor de Belgische politiek blijft verlaging van belasting op arbeid het devies. De liberale VLD van Verhofstadt gaat het verst. De premier toont zich in de verkiezingscampagne een ware aanbod-econoom door te spreken van `inverdieneffecten', waarmee de verlaging zich terugverdient. Hij zei eerder ,,geen krampachtig begrotingsbeleid zoals de Nederlandse regering'' te willen.

De manoeuvreerruimte is gering. De Belgische overheid heeft een grote staatsschuld: 105,3 procent van het bbp (Nederland 52,6 procent). Zo moest vorig jaar 6,1 procent van het bbp aan rentelasten worden betaald.

Volgens hoogleraar Vuchelen gaat de schuldreductie te traag, gezien de toekomstige pensioenverplichtingen. De staatsschuld moet volgens de regels van het Stabiliteitspact voor de euro elk jaar met enkele procenten omlaag. Niettemin slaagde België er, in tegenstelling tot Nederland, in de overheidsbegroting in 2002 voor het derde achtereenvolgende jaar in evenwicht te houden.

Het zuinige budgetbeleid gaat volgens de Nationale Bank ten koste van investeringen en de kwaliteit van overheidsdiensten. Dat leidt tot aantasting van concurrentiekracht. Ook zijn door gebrekkige liberalisering de energietarieven relatief hoog. De Belgische overheid besteedt relatief minder dan de Nederlandse aan onderzoek en ontwikkeling (r&d). Dat wordt gecompenseerd door het grotere aandeel van bedrijven in r&d. Bovendien heeft de hoge arbeidsproductiviteit van de Belgen een positief effect op buitenlandse investeerders, voor wie België ook om z'n gunstige ligging en goede belastingregelingen een aantrekkelijk vestigingsoord is.