Waar blijft toch de woede

Vrouwen rukken op. Niet alleen op het economisch front, ook in de criminaliteit neemt de geldingsdrang van `meiden' mannelijke vormen aan. Blijkbaar loopt emancipatie synchroon met imitatie. En daarbij hoort het manifesteren van `mannelijke' gewelddadigheid – of het tonen van de bereidheid daartoe. Tegenwoordig zie je vooral in islamitische landen complete colonnes fanatiek meemarcheren. Ze zijn allang vertrouwd met terroristische zelfmoordacties.

De titel van het fotoboek Vrouwen en oorlog belooft een actueel inkijkje te geven in de vrouwelijke oorlogsvoering. Zie de cover van het boek: Een jonge Eritrese, die, losjes met een geweer op de schouder, net zo macho poseert – borsten vooruit – als haar broeders in de strijd. Ze vocht ten tijde van die foto mee tegen de Ethiopiërs. En ze had reden om er zo triomfantelijk bij te staan. In de nacht van 18 maart 1988, aldus het bijschrift, wemelde het aan het front van de Ethiopische doden en hun lichamen versmolten in de hitte soms letterlijk met het asfalt.

Het bijschrift is van de Amerikaanse documentair-fotograaf Jenny Matthews, die sinds 1982 wereldwijd de gevolgen van oorlogen vastlegt. Dat thema biedt kansen genoeg op alle continenten. Ze combineerde ruim 130 kleine en grote ongekunstelde zwart-wit opnamen met dagboekfragmenten en rangschikte de beelden lukraak, blijkbaar onder het motto `oorlog is overal en van alle tijden'.

Toch zijn de toonbeelden van feminiene militaristische strijdlust in Matthews' boek veruit in de minderheid. Alleen in Nicaragua, Bosnië, Kroatië en natuurlijk in Israël, met zijn dienstplicht voor vrouwen, kom je hen tegen in gevechtshandelingen. In al die andere landen – van Sierra Leone tot Ingoesjetië, van Rwanda tot Afghanistan – doen vrouwen wat ze al millennia lang doen: overleven in lijdzaamheid. Op de recente tv-beelden van de Shock and Awe-oorlog in Irak zag je die lijdzaamheid weer uitentreuren: vrouwen die wachten in ziekenhuizen naast hun gewonde kinderen, vrouwen die rouwen om hun gesneuvelde zonen, vrouwen die krijsen van verdriet als de auto met hun mannen (per ongeluk) met kogels is doorzeefd. Beelden, die je als voorstander van zo'n `high tech'-vrijheidsoorlog hoopte juist niet te hoeven zien.

Apathie viert ook hoogtij in de vrouwengevangenissen van Rwanda, in de vluchtelingenkampen van Pakistan, Zaïre en Soedan en bij de wegcontroles in El Salvador, waar vrouwen uit verzet tegen de zoveelste intimiderende hufter zich hooguit een minachtende blik kunnen permitteren. Tussen de bedrijven door baren en voeden ze hun kinderen, doen ze de was en improviseren ze tegen de klippen op, om er hoe dan ook nog iets van te maken.

Eigenlijk gaat Matthews' boek niet over vrouwen en oorlog, maar over het tegenovergestelde: vrouwen en machteloosheid. Een bijna natuurlijke combinatie – wie zorgt er anders voor de kinderen – die in veel variaties ook bijna natuurlijk, sober en empathisch is gefotografeerd. Maar je vraagt je wel af waar al de woede blijft ten aanzien van dat soms uitzinnig wrede manvolk. Bijvoorbeeld in het Kamp der Geamputeerden in Sierra Leone waar legio jonge vrouwen tobben met een afgehakte rechterhand. Die Eritrese strijdster op de cover had dat tuig wel mores geleerd.

Jenny Matthews: Vrouwen en oorlog. Mels & Schilt, 191 blz. geïll. €35,-