Prooi van de aboriginals

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Een krans van bladeren' van Patrick White (vertaald door Guido Golüke. Atlas, 493 blz. euro 29,50)

Anders dan in Europa, waar het de romantische gewoonte was om de natuur en primitieve volkeren te verheerlijken, was het in de eerste helft van de negentiende eeuw in Australië juist cultureel verantwoord om een karikatuur te maken van de `natuurvolkeren'. Aboriginals werden neergezet als halfnaakte figuren, die beschonken en rokend over gemeenschapsgoed slenterden. De boodschap was duidelijk: de aboriginals waren zelf verantwoordelijk voor de situatie waarin ze verkeerden en de blanke gemeenschap trof geen enkele blaam.

Er waren ook kunstenaars die nog rigoureuzer te werk gingen: zij schilderden taferelen met verwilderde blanken die in handen van de aboriginals waren gevallen. De bekendste blanke die dit daadwerkelijk overkwam, was Eliza Fraser. In 1836 overleefde zij een scheepsramp, waarna ze 52 dagen op een eiland voor de kust bij de Nglulungbara-, Badtjala-, en de Dulingbra-volken woonde. Alle mannen, inclusief haar echtgenoot, waren vermoord. Zijzelf werd misbruikt, maar ze wist te overleven. Na haar terugkeer werd ze een attractie in het Londens Hyde Park waar ze het verhaal kwijt kon over de verschrikkingen die haar waren overkomen. Er werden films gemaakt die op deze gebeurtenissen teruggrepen, de schilder Sidney Nolan zette de taferelen op doek en Patrick White (1912-1990), Nobelprijswinnaar in 1973, baseerde er zijn roman Een krans van bladeren (1977) op.

De gespannen relatie tussen cultuur en natuur komt vaker voor in het werk van White. In zijn wellicht bekendste roman Voss (1957, een Nederlandse vertaling verscheen in 2000) gaat de Duitser Voss op reis door de Australische binnenlanden. Het verhaal is gebaseerd op het leven van de ontdekkingsreiziger Ludwig Leichardt die in 1848 stierf in de woestijn. De natuur waar de Duitser – die God minacht, omdat Hij niet geschapen zou zijn naar Voss' evenbeeld – tijdens die tocht mee te kampen krijgt, staat in schril contrast met de geruststellende botanische tuinen in Sydney of de curiositeiten van een Engelse edelman, die White keurig opsomt. In diens kasteel houden zich opgezette vogels op, tijgers en pronkstukken als `een nest droeve eierschalen en een draad met enige kolibries.'

Ook Een krans van bladeren is een roman die voortbouwt op tegenstellingen, en daarbij is die tussen cultuur en natuur de meest nadrukkelijke. De vertelling speelt zich af rond 1836, in een wereld waarin gecultiveerde truttigheid nog een deugd is en die door White juist om die reden belachelijk wordt gemaakt en na het eerste hoofdstuk direct terzijde wordt geschoven. Wanneer bijvoorbeeld twee goed opgevoede dames te horen krijgen hoe schaaphoeders na onenigheid met `inboorlingen' zijn teruggevonden – `met hun darmen eruit. Allebei morsdood, en een van de twee miste een been' – krijgt een van de vrouwen een hysterische aanval zoals een dame van stand betaamt. Stuiptrekkend gilt ze vanuit haar koets: `Een wereld als deze is voor een fatsoenlijk mens toch niet geschikt om in te leven.' In plaats van medelijden met de vrouw te tonen, sluit White dit voorval af met: `De inzittenden van het rijtuig rolden verder de donkerende namiddag in, en tenslotte verdwenen ze, als bijfiguren die een proloog hebben uitgesproken, in de coulissen.'

Kan het voor een personage erger uitpakken? Nee, maar het lijkt de verdiende straf voor de bewoners die te veel hechten aan de Europese tradities zonder oog te hebben voor de rijkdom van Australië. De hoofdpersoon van de roman, de Britse Ellen Roxburgh, weet de natuur tot op zekere hoogte wél te waarderen; het lukt haar zelfs om er in te overleven. Als boerenmeisje was ze indertijd in het huwelijk getreden met de deftige meneer Roxburgh. Hierdoor werd ze gedwongen haar achtergrond te verloochenen en zich aan te passen aan een wereld waarvan het interieur werd opgesierd met onder meer `een miniatuur, omlijst door een krans van gulden bladeren en peervormige parels'. Na enige tijd vertrekt het echtpaar naar Australië om het zwarte schaap van de Roxburghs te bezoeken. Hier komt Ellen Roxburgh in aanraking met de keerzijde van de beschaving; haar instincten krijgen de overhand. Na een val van haar paard laat ze zich verleiden door Roxburghs onbetrouwbare macho-broer.

Na een lang verblijf in Van Diemens Land (Tasmanië) wil het paar terugkeren naar Engeland, maar hun schip vaart op een rif en zinkt. Wanneer de sloepen het vasteland bereiken, ontstaat een gevecht met de oorspronkelijke bewoners. Zowel de kapitein als meneer Roxburgh loopt tegen goedgemikte speren op en sterft ter plekke. De overige mannen worden afgevoerd om nooit meer terug te keren. Ellen Roxburgh treft een ander lot. Zij wordt meegenomen door aboriginalvrouwen en uiteindelijk geaccepteerd, maar niet zonder dat ze de nodige vernederingen ondergaat. Haar naaktheid verhullend met een echte krans van bladeren leert de vrouw een wereld kennen waar de mensen afhankelijk zijn van de natuur. Opeens staat haar leven geheel in het teken van het vinden van voedsel en woont ze in hutten die telkens weer worden verlaten wanneer de vlooien te talrijk worden – van een paradijs is geen sprake.

Uiteindelijk weet Ellen Roxburgh te ontsnappen, met hulp van een gevluchte veroordeelde die haar op sleeptouw neemt naar de rand van de blanke kolonie. Ook deze tocht gaat gepaard met vele ontberingen, maar opnieuw weet ze te overleven dankzij haar aanpassingsvermogen. Eenmaal terug in de `beschaafde' wereld kan Ellen Roxburgh haar vuur en instinct weer omruilen voor gedoofde passie en plichtsbesef.

De geschiedenis van Eliza Fraser is een dankbaar onderwerp, maar ze wordt overweldigend wanneer White zijn vertelling een ingenieuze vorm oplegt, en die vervolmaakt met veel fijne details, humor en fraaie portretten. Bijna alle personages hebben een eigenaardigheid die hen sympathiek maakt en iedereen is op zijn of haar manier ijdel; maar een van de mooiste karakteriseringen is die van de eerste stuurman, meneer Courtney: `Hij had zijn grove hondenhaar gladgepleisterd met een royale hoeveelheid pommade, wellicht omdat hij van te voren wist dat hij, in aanwezigheid van de kapitein, geen woord aan de conversatie zou bijdragen, en daarom hoopte dat hij zich misschien op deze manier kon laten gelden.' Het is deze combinatie van subtiele kritiek en liefdevolle omschrijving die kenmerkend is voor Een krans van bladeren, en die de roman tot een prachtig portret maakt van het negentiende-eeuwse Australië.