`Positie minister-president moet sterker'

Het tweede kabinet-Balkenende telt niet minder, maar meer ministers. Bestuurskundigen zijn verdeeld over de vraag of dat de slagkracht van de ministerraad ten goede komt.

Het is een misverstand om te denken dat een kabinet met minder ministers zal leiden tot betere aansturing, zegt hoogleraar bestuurskunde P. Frissen van de Universiteit van Tilburg. ,,De gedachte dat krachtig centraliseren ook leidt tot beter bestuur is nog steeds populair, maar de vraag is of dat klopt. Want de problemen waar dit land mee te kampen heeft, zijn veel gefragmenteerder en complexer dan wordt verondersteld. In dat licht kan het juist verstandig zijn om het aantal ministers wel degelijk uit te breiden.''

Er wordt volgens Frissen al decennialang geprobeerd om de coördinatie aan de top te versterken. ,,Maar dat blijkt niet te werken. Onze samenleving is ook veel te ingewikkeld om centrale aansturing al te rigide door te voeren. Ook al omdat we hier niet het Britse systeem kennen, waarbij een gekozen premier vervolgens ook zijn eigen mensen aanstelt.''

Daarmee pleit Frissen niet meteen voor uitbreiding van het aantal ministers. ,,Maar wel voor een verantwoorde spreiding van de aansturing en coördinatie. Dat kan ook door goed te kijken naar het aantal aan te stellen staatssecretarissen of het aantal secretarissen-generaal.''

D66-fractievoorzitter De Graaf pleitte een jaar geleden nog voor een sterke reductie van het aantal ministers, juist om de ministerraad beter te laten functioneren. De Graaf stond een kernkabinet voor ogen van zeven ministers, inclusief de premier. In dat scenario worden de veertien departementen dan aangestuurd door aparte onderministers. Volgens bestuurskundige professor P. 't Hart, verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden, is dat scenario van een zeven ministers tellende ministerraad sociologisch gezien het beste aantal voor groepsprocessen. ,,Het huidige aantal van veertien, of straks zestien ministers is daarvoor te groot. Dat leidt alleen maar tot versterking van de informele hiërarchie. Het versterkt ook het onderlinge non-interventiegedrag – ik bemoei me niet met andere portefeuilles, want dan loop ik niet het risico van te veel tegenspel.''

Vorig jaar april kwam de raad van secretarissen-generaal met het plan om de positie van de minister-president in het kabinet aanzienlijk te versterken.

Een aan het ministerie van Algemene Zaken verbonden denktank van topambtenaren zou de besluitvorming van de ministerraad moeten voorbereiden. In de nota `Kracht zonder macht' van die raad wordt geadviseerd om die denktank te voorzien van een raadsadviseur en vier à vijf medewerkers. Belangrijkste doelstelling is het doorbreken van de bestaande departementale cultuur en meer samenhang te forceren in de huidige beleidspraktijk op rijksniveau. Daar bestaat nu te weinig vermogen om strategische expertise te bundelen, concludeerden de topambtenaren vorig jaar. Dat juist zij met dit voorstel komen, verbaast 't Hart niet. ,,In de politiek bestaat traditioneel een desinteresse voor de organisatie en aansturing van het ambtelijk apparaat. Die secretarissen-generaal zitten daarmee, want zij zien in de praktijk dat het niet goed loopt.''

De nota kreeg in juni vorig jaar een vervolg met de rapportage `Kwaliteit: een agenda voor de rijksdienst', waarin plannen voor die strategische denktank bij Algemene Zaken verder is uitgewerkt. Volgens betrokkenen bij de raad was de eerste reactie van minister-president Balkenende positief, maar kon hij in zijn demissionaire periode nog geen gestalte geven aan de uitwerking ervan. In het tussentijds verslag van de informateurs R. Hoekstra en F. Korthals Altes wordt gewag gemaakt van versterking van de positie van de minister-president. Die moet leiding gaan geven aan een `regiegroep democratische vernieuwing' uit het kabinet. Versterking van diens positie, bevoegdheden en zijn democratische legitimatie moet in die regiegroep onderzocht worden.

,,Ik ben voor een dergelijk concept als we erin berusten dat we de huidige situatie van complexe, Byzantijnse rijksdiensten laten bestaan. Want je kunt ook besluiten om departementen op forse schaal uit te kleden ten faveure van versterking van uitvoeringsinstanties'', aldus 't Hart. ,,Door zo'n agendabepalende denktank aan de minister-president te koppelen, geef je hem meer invloed, want hij heeft in de ministerraad nu weinig constitutioneel te vertellen. Het probleem is wel dat Balkenende nu weinig gezag heeft. Maar met complexe Europese besluitvorming in het vooruitzicht is zo'n model wel wenselijk. Dan moet de minister-president dicht bij de knoppen van de besluitvorming kunnen zitten.''