Nog geen tandpasta voor Kisangani

Voor het eerst in vijf jaar reizen ondernemers uit de Congolese hoofdstad Kinshasa naar het bezette oosten. Een test voor het vredesakkoord.

Het gebeurt niet vaak dat ondernemers als helden worden binnengehaald. Maar bewoners van Kisangani staan langs de kant van de weg te wuiven als een delegatie van werkgevers uit Kinshasa arriveert. Dit is voor de eerste keer in vijf jaar dat grote ondernemers uit de hoofdstad naar de Oost-Congolese rebellenstad Kisangani reizen om hun fabrieken te inspecteren en om de handel te hervatten in het opgesplitste land. Voor de inwoners van Kisangani, eens het centrum van een uitgebreid handelsnetwerk, symboliseert het bezoek het begin van de hereniging van Congo en het einde van hun isolement.

In de bus van werkgeversorganisatie Fec raken de zakenlui al even opgewonden. ,,Zie je die steenbakkerij daar'', wijst Fec-voorzitter Jean Bamanisa, ,,daar heb ik ooit in geïnvesteerd. Zo te zien ligt die nu in puin.'' Een Indische zakenman steekt zijn hoofd uit het raampje. ,,Kijk, ze vissen daar in de rivier bij de waterval. Er valt in ieder geval nog vis te verhandelen.''

De bus rijdt naar het gouverneursgebouw van de RCD, de rebellenbeweging die Kisangani beheerst. De dikke vertegenwoordiger van een bedrijf voor mobiele telefoons stapt uit en valt in de armen van een al even dikke vriend. Tranen vloeien. ,,Het is alsof de Berlijnse muur is gevallen'', zegt de een. ,,Congo valt niet te verdelen'', snikt de ander.

Sinds 1998 probeerden rebellengroepen, gesteund door Rwanda en Oeganda, om de regering te verjagen. Het land werd de facto in tweeën gedeeld. Eind vorig jaar sloten de partijen een vredesakkoord dat nog deze maand tot de installatie van een nationale overgangsregering moet leiden. Maar in het noordoosten van het land, in de provincie Ituri met hoofdstad Bunia, gaan de gevechten onverminderd door.

,,U zakenlui moet inhoud geven aan het akkoord'',verwelkomt gouverneur Jean Piere Biloso de ondernemers in zijn kantoor. ,,Door de bevolking te herenigen.'' Dan volgen de kritische vragen van de zakenlui. ,,Als we weer gaan handelen, moeten we dan extra importbelastingen in RCD-gebied betalen?'' En: ,,De koers van de frank is hier hoger dan in Kinshasa, bent U bereid die aan te passen?'' En vooral: ,,Wanneer geeft U toestemming om handelsboten uit Kinshasa te laten vertrekken naar Kisangani''?

Voorbijgangers springen gehoorzaam in het gelid als bij zonsondergang een soldaat de vlag neerhaalt voor het gouverneursgebouw. Niet de vlag van Congo maar die van de RCD. De ondernemers uit Kinshasa ervaren hoe de rebellen hun invloed niet zonder slag of stoot opgeven en ook de economische banden met hun Rwandese bondgenoten niet zomaar laten varen.

De centrale markt toont hoe de handelsrelaties van Oost-Congo dramatisch zijn veranderd sinds het uitbreken van de oorlog in 1998. Kisangani is omsingeld door de jungle en de zandwegen raakten door gebrek aan onderhoud overwoekerd door struikgewas. Alleen per boot kunnen goederen uit Kinshasa arriveren, een reis van dertig dagen over een afstand van ruim 1.800 kilometer. Sinds de rebellen deze route afsloten, is er alleen nog maar handel mogelijk door de lucht naar Rwanda en Oeganda. Marktstalletjes verkopen ondergoed uit Indonesië, schoenen uit Dubai, zeep uit Rwanda, mineraalwater uit Oeganda en spijkers uit China. Zelfs de cassettes met Congolese muziek zijn gefabriceerd in Oeganda. Geen enkel product komt uit Congo. De binnenlandse handel is om zeep gebracht.

Een paar straten verderop zit Pierre verveeld in zijn kantoortje waar mijnwerkers hun diamanten kunnen verkopen. Achter hem prijkt een gigantische muurtekening van Rambo, die met een schep naar diamanten graaft. Pierre balt zijn vuisten en slaat op tafel als hij vertelt hoe zijn zaken de afgelopen jaren bergafwaarts gingen. ,,De Rwandezen en de RCD zuigen ons uit'', zegt hij boos. ,,Ze hebben het monopolie aan een Libanees gegeven. Alleen hij mag nog diamanten exporteren. Vroeger maakte ik vijftien procent winst op iedere aankoop, nu nauwelijks vijf procent omdat de marktprijs niet meer vrij is. En we moeten hoge belastingen betalen aan de RCD.''

Jean Léonard Ridja, directeur van de textielonderneming Sotexki wandelt door zijn vrijwel verlaten fabriek. Een paar jaar geleden werken er 2.500 arbeiders, nu 130. ,,Vroeger verbouwden we katoen aan de rand van Kisangani. Door de oorlog stopte de katoenproductie en moeten we ons grondstoffen in Oeganda kopen. Daarom kunnen we niet concurreren tegen de goedkope lendendoeken uit China. ,,Alleen als aan de diefstal door Rwanda en Oeganda een eind komt, kan de Congolese economie weer op gang komen.''

Bierbrouwerij Bralima, honderd procent eigendom van Heineken, werkt maar op drie procent van de capaciteit. De markt voor bier is opgedroogd: de fabriek produceert alleen nog voor de arme bewoners van Kisangani. Banken functioneren niet meer dus maakt de brouwerij zijn geld over met hulp van de katholieke kerk.

Er heerst een opgewekte sfeer als de werkgevers aan het eind van de vijfdaagse trip een diner organiseren voor de RCD-autoriteiten. Fec-voorzitter Jean Bamanisa meldt dat de RCD toestemming heeft gegeven voor hervatting van het verkeer over de rivier naar het westen, net zoals voor het luchtvervoer. ,,Ik ga direct in Kinshasa een lading tandpasta regelen voor de eerste boot'', jubelt een zakenman. Iedereen heft het glas. Dan neemt Crispin Kabesele, een hoge RCD-vertegenwoordiger het woord. ,,De regering probeert troepen naar Bunia in Oost-Congo te sturen'', begint hij zijn tirade. ,,De regering blokkeert het vredesproces. En Oeganda bewapent 's nachts de milities in Bunia. De RCD gaat ingrijpen in Bunia als de gevechten niet onmiddellijk stoppen.'' In één klap is de goede atmosfeer verdwenen. De oorlogsretoriek heeft een ijzige stilte over het afscheidsdiner gelegd. ,,Misschien moet ik nog maar even met mijn tandpasta wachten'', zucht de zakenman.

Zakenlui Kinshasa inspecteren bezit in bezet gebied