Nieuwe kleren van de kritiek

`Iemand moet het doen', schrijft Harold Polis in het jongste nummer van Deus ex Machina: `Sneeuwruimen, de straat vegen, aardappelen schillen, boeken beoordelen.' De literaire kritiek heeft kennelijk meer weg van corvee dan de hooggestemde critici zelf vaak denken. Dat blijkt ook uit het sarcasme van de filosoof Niklas Luhmann in hetzelfde nummer, die meent dat kritiek slechts thuishoort in het vuiltransport en in de metafysica.

De Weense criticus Sigrid Löffler, bekend van haar rol in Das literarische Quartett, het Duitse boekenprogramma van de onbehouwen tv-ster Marcel Reich-Ranicki, haalt de uitspraak aan in haar verdediging van de literaire kritiek. Als de kritiek onder vuur ligt, aldus Löffler, is zij meer nodig dan ooit. Maar waarom ligt zij onder vuur? Volgens haar is dat de schuld van de commercialisering in de letteren. De lezer is consument geworden en kritiek is al gauw te inspannend en te tijdrovend. Onder druk van de cultuurindustrie verworden recensies tot `opvrijteksten' die de koopkracht moeten stimuleren.

Verschillende bijdragen in dit nummer snijden de vervlakkende marktwerking aan. Zo hamert de voor deze krant schrijvende Elsbeth Etty op de vereiste onafhankelijkheid van criticus en boekenredactie. Dat die bedreigd wordt, illustreert ze aan de hand van een interview met Connie Palmen in het Cultureel Supplement van deze krant. Volgens haar uitgever, Prometheus, zou dat vraaggesprek in strijd met gemaakte afspraken te vroeg en op de verkeerde plaats zijn verschenen, waarna de uitgever met een advertentieboycot reageerde.

Snelle jongens

Tegenover de afhankelijkheid van redacties staat een toenemende autonomie van de recensent. Jos Borré, medewerker van De Morgen, betoogt althans dat critici allengs minder buikspreker van de kunstenaar zijn en ook onafhankelijker zijn ten opzichte van het publiek, waarbij hij balanceert tussen wat hij hoopt te zien en wat hij werkelijk ziet.

Een pleidooi voor onafhankelijkheid in een door de markt bedreigde literatuur is eveneens terug te vinden in het boek van Jeroen Vullings, chef van de literatuurbijlage van Vrij Nederland. Hij opent met een citaat dat over hemzelf gaat, als vertegenwoordiger van een nieuwe generatie critici, die anders dan `de oude garde' de persoonlijke ervaring met het boek voorop stelt. Het zijn niet meer, zo schreef Rob Schouten, `morsende sigaarrokende, wijze mannen, maar snelle jongens in Italiaanse pakken, die midden in het leven staan'.

`Hij zegt het', schrijft Vullings. Dat is zo, alleen schrijft Vullings het wel over. Om er op te laten volgen dat hij zich er in herkende, `al droeg ik Franse pakken'.

Het is een gevaarlijke opening, zo in je Franse pak. Natuurlijk is het mooi wanneer de criticus een vent is (en nog mooier als die vent een mevrouw is), maar in de kritiek maken kleren nog niet de man. Het moeilijke van een goede kritiek is nu juist dat de criticus persoonlijk en dwingend aanwezig moet zijn zonder voor de tekst te gaan staan. Het ideaal is een persoonlijkheid die schrijver en lezer de ruimte geeft en dat vereist een stilistisch register dat niet elke criticus gegeven is.

Vullings begint zijn boek met de `autobiografie van een lezer' onder de door mij aanvankelijk ironisch opgevatte titel `Alleen op de apenrots.' Hij schrijft daarin dat het tijdens zijn door hem niet zo hoog aangeslagen studie Nederlands `wemelde van ingebeelde schrijvers en vaker nog van poëten, en ze kwamen in mijn beleving ook nog allemaal op mij af [...] Zo heb ik dikke manuscripten moeten lezen, waarvan ik niet anders kan zeggen dan: waardeloze bagger.'

Bij Mulisch' roman Siegfried constateert hij dat het `niet de eerste keer' is dat hij als recensent alleen staat in zijn appreciatie. En over autobiografisch proza zegt hij vanaf de apenrots dat `zulke ellende' de lezer misschien dichter bij de auteur brengt, `maar zelf heb ik daar geen behoefte aan. De kunst is mijzelf genoeg.'

De criticus heeft het beslist met zichzelf getroffen, en daarmee maakt hij het de lezer moeilijk hem steeds even ernstig te nemen. In een paar stukken lukt dat. Vullings' protest tegen wat hij `gemaksliteratuur' noemt mag niet nieuw zijn, het verzet tegen de vaardig geschreven fictie van Anna Enquist, Karel Glastra van Loon, Pauline Slot en Kees van Beijnum dient geregeld te worden uitgebazuind. Zijn beroep op de filosoof Bataille, om literatuur ongemakkelijk te maken en oog te laten krijgen voor het kwaad waar je niet zomaar vanaf komt, is sympathiek. Waarom echter diens La littérature et le mal samenvatten met de dooddoener `Literatuur is communicatie'?

De lat

Precies hier schuilt het probleem van de criticus Vullings: zijn stijl schiet tekort en daarmee ondermijnt hij onophoudelijk zijn eigen gezag. Hij begrijpt dat `aan zijn laars lappen' een cliché is, en maant schrijvers dus hun `workshopbeginselen aan hun bottine (te) lappen,' wat veel erger is. Er verschijnen volgens hem niet veel slechte boeken, zelfs niet erg veel slechte boeken, nee, er verschijnen `numeriek erg veel slechte boeken.' `Zijn Nederlandse critici voldoende oprecht?' vraagt hij zich af in `De lat moet hoger', om te vervolgen met: `Hun antwoord was ontkennend. Niks aan de hand, niet bij ons.' Prikkelend, denk je, critici die ontkennen oprecht te zijn en dat zelf best vinden. Maar de ontkenning slaat bij herlezing op een eerdere zin.

Ook zijn redeneringen zijn wonderlijk. Mulisch' laatste roman is een meesterwerk: juist de tekortkomingen van het boek en de compositorische grilligheid zijn `bataillaans'. Siegfried overschrijdt allerlei niet nader genoemde regels en prikkelt daarom Vullings' zintuigen. Het is goed omdat het slecht is, al blijven de details van het boek verder gemakshalve buiten beschouwing.

In hetzelfde hoofdstuk krijgt `de leergierige Glastra van Loon' een pluim, omdat hij de raadgevingen van Vullings heeft overgenomen. Zijn volgende boek namelijk `beantwoordt wel heel erg aan het wenslijstje dat ik hem [...]voorhield. Hij heeft zich literair willen revancheren – met dramatische gevolgen voor zijn oplagecijfers. Hoe heilzaam kan de literaire kritiek toch zijn!' Hier heeft Vullings het Franse pak verruild voor het geruite jasje van Ollie B. Bommel, en is hij de karikatuur geworden die schrijvers zo graag van critici maken.

Jeroen Vullings: Meegelokt naar een drassig veldje. Literatuur in verandering. Augustus, 192 blz. €16,95

Homo criticus, themanummer van Deus ex Machina. Tijdschrift voor literatuur en kunst. Nummer 4, maart 2003.