Niets te zijn om alles te worden

Peter Verhelst is de dichter die de poëzie wilde afschaffen om zichzelf als dichter op te heffen. Zijn zesde bundel De boom N uit 1994 eindigde met de wens `nemo mei meminerit', `ik wil door niemand herinnerd worden'. In een interview met Sander Pleij in De Groene van 20 november 1996 verklaarde hij dat deze bundel toch nog niet echt de bundel was waarmee hij de poëzie kapot had gekregen. Met zijn zevende en laatste bundel Verhemelte (1996) vatte hij het dichterschap nog eenmaal op om de poëzie voor eens en voor altijd te slopen. `Dit is het einde,' is de openingsregel van Verhemelte. Na de slotregel zweeg de dichter.

Nu, zeven jaar later, verschijnt Alaska, Verhelsts achtste poëziebundel. Om de paradox nog groter te maken, ontleent de bundel zijn titel aan een passage uit Verhemelte dat de poëzie had afgeschaft: `Ik wil Alaska zijn./ Ik had de man willen zijn/ Die de wereld verkocht/ Maar geen koper daagde op.' Deze verzen vormen het motto van Alaska. Ook het openingsvers wordt geciteerd: `Of dit het einde is of waarom/ De dingen van zinloosheid doortrokken zijn, wordt niet langer/ door een vraagteken gevolgd (?). Het einde is achter de rug.' Bovendien komt het `nemo mei meminerit' uit De boom N terug aan het slot van het uiterst curieuze prozagedicht `Nihil... (Alaska revisited) – ik-vertering2', waarin alle eerste persoons voornaamwoorden zijn doorgestreept, als voetnoot `**' bij het woord `gezangen' en, met doorgestreept `mei', als voetnoot `**bis' bij het woord `zingend'. Tussen beide voetnoten in staat de vertaling van het Latijnse gedicht waarvan `nemo mei meminerit' de slotregel is: `ik herinner me niets/ niet de wereld/ de wereld zegt me niets/ uit me stromen woorden/ vergeet ze/ ik wil door niemand herinnerd worden'. Dit alles wekt niet bepaald de indruk dat het verschijnen van deze nieuwe bundel is gemotiveerd door een herwonnen vertrouwen in de poëzie. Integendeel.

En het wordt nog veel gekker. Als je gehoor geeft aan Verhelsts minachting voor de poëzie en zijn bundel mishandelt door de rug te knakken tussen pagina 62 en 63, dan vind je, diep verstopt tussen het garen waarmee het boek is genaaid, in spiegelbeeld de mededeling `niets ontbreekt mij op de berg niets te zijn om alles te worden evenmin'. Het prozagedicht ernaast wordt bij voortduring onderbroken door de meest curieuze interpunctie: hele ritsen punten en gedachtestrepen. Het lijkt morse, maar is niet te ontcijferen. Tenzij je ook deze strepen en punten in spiegelbeeld leest. Dan blijkt het wel morse te zijn en staat er herhaaldelijk het woord `niets' en andere flarden uit de geheime, verborgen spiegelbeeldzin. De bundel sluit af met deze zelfde zin, wederom gecodeerd in spiegelbeeldig morse dat nu bovendien ook nog van onder naar boven gelezen moet worden. Daaronder staat tussen haakjes de zin `Het is jammer, maar ik geloof dat ik niet meer verder kan schrijven. Mijn laatste woorden. In godsnaam - zorg voor onze nabestaanden', geïdentificeerd als citaat van Robert Falcon Scott. Dit is nu echt de laatste bundel. Hierna zal de dichter echt helemaal voorgoed zwijgen.

Wat is zijn motivatie? Waarom wil Verhelst de poëzie beëindigen en als dichter zwijgen? In een essay over Verhemelte, verschenen in het jongste nummer van De Revisor, gaat Thomas Vaessens uitgebreid in op deze vraag. Hij localiseert Verhelsts zelfdestructivisme in een afkeer van het dwingend karakter van de schijnorde die taal creëert en van de monumentalistische pretenties van de schijnstructuur die poëzie wil scheppen in een fluïde wereld, virtuele make-believe.

In Alaska is er meer aan de hand dan dat, hetgeen tevens de verklaring kan zijn voor het feit dat Verhelst toch nog één extra definitief laatste bundel heeft willen schrijven. De geheime spiegelbeeldige en dubbel gecodeerde zin is de sleutel. Het streven naar de rust van het niets zijn is de kern van het zen-boeddhisme. In het gedicht `In paradiso (regained)' zegt Verhelst het zo: `er gebeurt niets/ alsof het eindelijk achter de rug is/ terwijl er geen sprake meer is van een rug/ alleen maar rust/ tot ook de herinnering aan rust/ zichzelf vergeet/ hoe dat stralend aan het glimlachen gaat/ tot ten slotte ook die glimlach/ langzaam/ uiterst langzaam'. Als boeddhist gaat het hem erom het eigen ik te vergeten en door te strepen als een eerste persoons voornaamwoord om lang te zitten voor een lege spiegel. En hoe kun je in dat geval nog poëzie schrijven, bij uitstek het domein van de eerste persoon enkelvoud die herinnerd wil worden? Alaska is het symbool van het leeggeslagen wit van verlichting in leegte die alleen door een lege pagina beschreven kan kan worden.

Maar hoe doe je dat? Hoe sloop je de poëzie? Als Verhelst in Alaska de poëzie probeert kapot te maken door zoveel curieuze spelletjes te spelen met labyrinthische codes dat je aan de poëzie zelf nauwelijks nog toekomt, dan is hij bijna geslaagd. Als hij haar probeert te ontmantelen door zichzelf weg te schrijven in een duizelingwekkend complexe weergave van de onbetrouwbare wereld van wording en verwording die het ik-loze ik achter zich hoopt te laten, dan bereikt hij het tegenovergestelde. Want juist de moeizame reis naar Alaska door de barre mensenwereld levert ijzersterke poëzie op:

Je had deel willen uitmaken van een

groter geheel,

Maar je maakt deel uit van een groter geheel.

Iedereen vertolkt iemand anders,

elke dag opnieuw.

Iedereen vertrok met iemand anders,

elke nacht opnieuw.

Iedereen morste met zichzelf.

De ondragelijke angst achtergelaten te worden

In gezelschap van anderen die het goed menen.

Je buigt je over een gelakte taart

en je blaast de kaarsen uit

En je richt je glimlachend op terwijl

het bloed je naar het hoofd stijgt.

`Wat een tijd,' kermt iemand.

`Wat een verschrikkelijke tijd.'

Het is niet gelukt. Hij kan nog niet zwijgen. Er zal nog een bundel moeten komen. En dat is heel goed nieuws.

Peter Verhelst: Alaska. Prometheus, 105 blz. €22,50