Met Chopin naar de hel

Astrid Lindgren heeft zich er aan gewaagd, net als Simone de Beauvoir, Jean-Paul Sartre, Jacqueline Harpman en, een paar jaar geleden, Didier van Cauwelaert. Nu heeft ook de Franse schrijver Jean Echenoz zijn verbeelding losgelaten op de vraag: is er iets na de dood en zo ja, wat?

De gebroeders Leeuwenhart beleven post-mortem avonturen in lieflijke valleien, de brandende ambitie van Beauvoirs onsterfelijke Italiaanse prins dooft met het verstrijken der eeuwen, net als de levenslust van Harpmans biseksueel Orlanda en de dode ijzerhandelaar van Van Cauwelaert moet, onzichtbaar en machteloos, aanhoren hoe harteloos men over hem oordeelt.

Bij Echenoz niets van dat alles: geen gedwaal door eeuwen, geen ach en wee, geen had ik maar. In Au piano heerst de humor, de vertelkunst en het leesplezier, meer nog dan in zijn vorige romans Een jaar (1997) of Ik ben weg (1999), die ook al geen straf waren om te lezen. Echenoz paait de lezer met alle kunstjes die hij kent: de onverwachte wendingen van de avonturenroman, de beeldende scènes van de film, de humor van de slapstick en de zoete wellust van een imaginaire liefdesgeschiedenis. Hij roept soms de spanning op van een thriller, speelt met de techniek van de spionageroman en vermijdt in zijn komedie rond het mysterie van de dood psychologisch handengewring over dilemma's van schuld en boete, van zonde en vergeving.

Echenoz vertelt een verhaal, zoals er in de Franse literatuur lange tijd niet meer verteld is. In de jaren zestig ging het mis tussen de roman en zijn lezers. De nouveaux romanciers, onder leiding van Alain Robbe-Grillet en Nathalie Sarraute, streefden naar een vernieuwing van het genre en hielpen de roman daarmee bijna om zeep. Hun vernieuwde roman – zonder intrige, zonder duidelijke hoofdpersoon, zonder tijds- of plaatsaanduiding – viel bij weinig lezers, fijnproevers daargelaten, in de smaak. De avant-garde van toen trok zich daar, zoals het avant-gardes betaamt, niets van aan alvorens uiteindelijk toch terug te keren naar een wat lezersvriendelijker schrijfstijl.

Navel

Lange tijd ging men ervan uit dat de nouveau roman slechts lezers van zich had vervreemd en schrijvers in de dop had ontmoedigd of hen had beperkt tot het bestuderen van hun eigen navel (het veel gelaakte `nombrilisme'), maar sinds een jaar of tien lijkt het tij gekeerd. Sterker nog, een nieuwe generatie auteurs die men wel de nouveaux nouveaux romanciers noemt, is aan het werk gegaan met de erfenis van hun voorgangers die, toeval of niet, ook bij uitgeverij Minuit hun werk publiceren en er steeds meer in slagen het genre van de roman te vernieuwen zonder daarbij het publiek van zich te vervreemden.

Ja, er is een intrige, een handeling of tenminste iets wat daarop lijkt. Er is een zekere rode lijn die naverteld kan worden, ook al gaat het vaak om een verhaal zonder kop of staart of een verhaal waarin de logica ontbreekt. Ja, er zijn personages die namen hebben, ook al zijn het geen karakters in de gewone zin des woords, maar eerder schaduwbeelden of pionnen in een spel waarvan zij de regels niet hebben bepaald. En ja, er is sprake van tijds- en plaatsaanduiding, zozeer zelfs dat het omgaan met de beleving van de tijd een thema is geworden en dat romanciers als Echenoz uiterst precies zijn in het beschrijven van de routes die hun hoofdpersonen, vaak bewoners van een stad, er afleggen.

Neem Max Delmarc, de hoofdpersoon uit Au piano, een briljant concertpianist die in de eerste alinea (en in de laatste alinea van het boek) uit de Rue de Rome in Parijs de Boulevard de Courcelles oploopt, in de richting van het Parc de Monceau een stukje verderop. Hij komt langs grasvelden, een waterval, een rotspartij, langs standbeelden van grote mannen, die `allemaal bang leken te zijn voor eenzaamheid, want ze hadden stuk voor stuk een bevallige jongedame aan hun voeten'.

Max, goed in het pak, wordt vergezeld door een slecht geklede, wat sullige, honderduit pratende man met ruitjeshoed, zijn impresario. Max is bang. `Hij zal over twee-en-twintig dagen een gewelddadige dood sterven, maar omdat hij dat niet weet, is dat niet de reden voor zijn angst.' Waarom hij dan wel bang is, blijft ook voor de lezer nog even een raadsel.

Max snakt naar een borrel, geeft over achter een Hongaarse eik, vermijdt uit alle macht een blik op het standbeeld van Chopin. Een gebouw, trappen, gangen, een grote donkere ruimte, een gordijn. Plots krijgt Max een flinke duw in zijn rug en tuimelt, net als Alice in wonderland en zonder routebeschrijving, in het niets: Max staat op het concertpodium, oog en oog met zijn Steinway, `zijn grote witte klavier klaar om (hem) op te vreten, dat monsterlijke kunstgebit dat (hem) tussen al dat ivoor gaat vermorzelen'. Max was bang voor zijn piano, bang voor zijn publiek. Zijn concert van die middag begint met Chopin.

Metrokaartje

Pas 71 bladzijden verder plant een overvaller een mes in Max' keel. Inmiddels heb je als lezer al verschillende malen gedacht dat zijn laatste uur geslagen had, maar steeds meldde de verteller plagerig dat zijn tijd nog niet was gekomen. Net als in de meest recente romans van Jean-Philippe Toussaint en van Christian Gailly is de verteller van Echenoz de baas, hij trekt aan de touwtjes. De verteller spreekt de lezer direct toe (`U dacht natuurlijk dat Max zo'n goede oude versierder was, hè? Nou lekker niet.'); op momenten dat de vaart zogenaamd even uit het verhaal is, amuseert hij de lezer met grapppige terzijdes (waarvoor wordt een metrokaartje zoal gebruikt behalve als metrokaartje: tandenstoker, harmonica etc.) en hij becommentarieert de handelingen van de hoofdpersoon (`De hele onderneming is absurd'). Als lezer word je daardoor ook een beetje verteller: je wordt het verhaal ingesleept, er worden je reacties in de mond gelegd, je wordt medeplichtig aan het lot van de personages.

Waar Max na zijn dood terechtkomt, mag hier natuurlijk niet worden verteld. Dat kan ook niet: daarvoor zit dit cirkelvormige boek te ingenieus in elkaar. Je kunt het lezen als een hilarisch fantasieverhaal over zomaar een mensenleven, als een spannende creatieve denkoefening over wat ons wacht na de dood. Je kunt ook wantrouwig staan tegenover die schijnbare lichtvoetigheid, je kunt het horen kraken, je kunt het voelen wringen. Er zit wat schimmel in de voegen van het verhaal, het ruikt wat zurig in de witregels. De onrust is ongrijpbaar, op wat er smeult kun je je vinger niet leggen.

Pas op de laatste bladzijden legt Echenoz zijn kaarten op tafel. De hel, dat zijn de anderen, was het devies van Sartre's toneelstuk Huis Clos. Bij Echenoz is het uiteindelijk niet anders. Maar tegen de tijd dat dat tot je doordringt heb je al heel wat afgelachen.

Jean Echenoz: Au piano. Minuit, 223 blz. €17,45. De Nederlandse vertaling verschijnt dit najaar bij De Geus