Hij heeft bestaan

Het was een mooie woensdagmiddag in april. Ik kwam thuis en zette de radio aan, nieuwsgierig naar de jongste berichten over de oorlog in Irak. Al een paar dagen leek zich daar een beslissing aan te dienen: de Amerikanen stonden voor de poorten van Bagdad, zei men. In de loop van die middag werd duidelijk dat zich inderdaad een wending voltrokken had: de vijand leek die nacht ineens verdwenen, met achterlating van een stad in verwarring. Naarmate de middag vorderde werd steeds vaker contact opgenomen met een correspondent ter plekke. Die was die ochtend in Bagdad aangekomen en bevond zich nu midden in de hoofdstad, op een of ander plein, vanwaar hij verslag kon doen zonder nog gevaar te lopen. Erg veel viel er overigens nog niet te melden, behalve dan dat een eindje verderop een groepje mensen doende was een standbeeld van Saddam Hussein omver te trekken. Ze waren al een tijd bezig, maar het wilde nog niet erg vlotten.

Bij gebrek aan ander nieuws besloot de regie maar eens wat vaker over te schakelen naar de man in Bagdad, zeker toen hij had gemeld dat het groepje Iraakse beeldenstormers nu de hulp had ingeroepen van een paar Amerikaanse soldaten met een tank. Wat begonnen was als een terloopse mededeling nam nu bijna de vorm aan van een wedstrijdverslag: zouden ze hem omkrijgen voor het eind van de reguliere speeltijd of niet? Verslaggever en studio begonnen merkbaar schik te krijgen in het geval. Tegelijk werd ook duidelijk dat dit geen uit de hand gelopen woensdagmiddagpleinspel meer was. Het begon de trekken aan te nemen van een historische gebeurtenis. Door de radio hoorde ik het brullen van de tank, bevelen schreeuwende soldaten en een leuzen roepende opgewonden menigte, waar de verslaggevers van de verzamelde wereldpers weer doorheen ratelden. De laconieke correspondententoon was overgegaan in een hectisch live-verslag. Toen ik tegen half vijf de tv erbij aanzette kon ik kiezen uit zestien kanalen die de slag om het standbeeld live aan het verslaan waren. Ik zag een soldaat zijn mond opendoen en hoorde op hetzelfde moment via de radio wat hij zei. Zelden zo dicht bij een historische gebeurtenis geweest.

De beelden zijn inmiddels maar al te bekend: het gehannes van die soldaat met die dikke strop om de hals van het beeld, de Amerikaanse vlag om het hoofd gebonden, en er toen snel weer af, vervangen door de Iraakse vlag, en die er ook weer af, en toen het naar achteren dirigeren van de toeschouwers, het straktrekken van de omtrek-ketting, het aanloeien van de tank met de machtige takelarm en het langzaam omverhalen van het zes meter hoge beeld, tot de adembenemende seconden waarin de kolos vooroverboog en trillend voorovergebogen bleef hangen, met de neus naar beneden, de geheven arm dreigend naar voren. Aarzelmoment. En griezelig: alsof het beeld tot leven kwam en nog even leek te overwegen terug te klappen, als een knipmes, in zijn oorspronkelijke stand. Lugubere bijgedachte: dat de leider zijn val al lang geleden had voorzien en daarom al zijn standbeelden had uitgerust met een terugklapmechanisme (waarna er een cd met een sardonische lach uit de kop zou weerklinken en tien mitrailleurs automatisch in het rond zouden gaan schieten). Maar zo was het toch niet. De tank trok door en zo gleed de kolos alsnog van zijn buizen, alsof hij uit zijn broek werd getrokken. Toen lag hij dan eindelijk op de grond en konden de mensen erop springen en hem met hun muiltjes op zijn hoofd slaan – teken van diepe minachting.

Vanaf dat moment was het ook meteen, dat begreep iedereen, een historische gebeurtenis, met een maar al te duidelijke symboliek: hier was zojuist een regime ten val gebracht. De televisiezenders wisten wat hun te doen stond: de beelden blijven herhalen. In heel korte tijd was een oploopje een gebeurtenis, en meteen daarna een symbool geworden. En waar was de werkelijkheid intussen gebleven? Ik zal me van het half uur dat aan de val voorafging vooral de beelden van de rest van het plein herinneren. In de verte kuiert een familie rustig ergens anders naar toe. Op een stoffige stoeprand zitten kinderen met elkaar te spelen. Men flaneert wat, schudt eens een hand, krabt zich het achterhoofd en kijkt rond. Iemand haast zich zo te zien nog even snel naar de avondzaak voor een laatste boodschap. Rechts fietst langzaam een mannetje uit beeld. En daar ligt, midden op straat, met de geribbelde schoenzolen naar ons toe, ook nog ergens een Amerikaanse soldaat met een mitrailleur op een driepoot de boel in de gaten te houden, bedacht op een vijand die er niet meer is. Dat een eindje verderop wat mensen, gadegeslagen door miljoenen tv-kijkers, aan een standbeeld staan te sjorren lijkt hen nauwelijks te interesseren. Twee werelden naast elkaar: het oog van de media, opgewonden geschreeuw, geschiedschrijving en even verderop de wezenloze kalmte van een autoloos plein in de vroege avond, waar het gewone leven zijn loop herneemt.

Iedere keer dat die avond op tv de kolos weer eens werd omgetrokken nam de symboolwaarde ervan juist af. Het beeld begon zich voor mijn gevoel tegen zichzelf te keren, en langzaam drong zich een verboden vraag op: wat werd met deze herhalingen nu eigenlijk bewezen? Wie gelooft in het neerhalen van standbeelden zou eigenlijk ook moeten vinden dat het oprichten ervan indertijd zin heeft gehad. Mooier is het om voor die andere symboliek te kiezen: laten staan, aan zijn lot overlaten en de tijd traag zijn werk laten doen. Die brengt vanzelf, en zonder onderscheid, verval, verwaarlozing, vergetelheid. Al die afbrokkelende standbeelden met nutteloos geheven armen, zes meter boven het alledaagse leven dat er al lang niet meer naar om ziet: ze worden vanzelf symbolen van achterhaalde grootheidswaan, overleefde geldingsdrang, zinloos geweld. De geschiedenis hangt er uit zichzelf een sfeer van meewarigheid omheen. W.H. Auden had daar een scherp oog voor. Joseph Brodsky ook. En Jan Emmens.

Dit is een gedicht van Emmens uit 1963, bij een monument voor een of andere graaf. Hij weet zelf ook niet wie het is. Vermoedelijk gaat het om zo'n levensgroot beeld op een graftombe. Het is alsof Emmens erbij staat en hardop praat, zonder veel dichterlijke aandrang en zo, in één zin, met de nodige pauzes, onder woorden brengt wat er na eeuwen van een mens, door sommigen blijkbaar ooit groot gevonden, over blijft: `Al ligt hij er nu onwaarschijnlijk bij, ontvallen/ aan een mij onbekende gang/ van zaken, naar ik aanneem, van belang,/ hij heeft bestaan, was graaf zelfs, droeg een harnas/ en werd door sommigen zo groot gevonden/ dat hij een rustplaats kreeg, gedragen/ door deugden die hij niet bezat/ en trouwens nooit bestonden.' Geen eerbetoon, geen ontzag, geen geloof in deugd of status van grote mannen. Je kan het ontluisterend vinden, deze neergang, maar ook gewoon de vrolijk stemmende waarheid van een verloren monument. Mooiste zin: `hij heeft bestaan'. Je zou het niet zeggen als je de graaf nu zo (zo `onwaarschijnlijk') ziet liggen, maar het is toch zo: hij heeft bestaan. Dat is het enige wat er na eeuwen uiteindelijk over een mens nog te zeggen valt, met of zonder zes meter hoog standbeeld op het Plein van het Paradijs, al dan niet neergehaald: hij heeft bestaan.