Het komende paradijs vol zelfklonende kipfiletjes

Fictie volgens Margaret Atwood is `dat wat er gebeurd had kunnen zijn'. Of, in de toekomst, `dat wat er zou kunnen gebeuren'. Het virus dat in haar zeventiende roman Oryx and Crake nagenoeg een einde maakt aan het menselijk ras op aarde, heet dan ook niet sars, maar `Juve': Jetspeed Ultra Virus Extraordinary.

Vreest u dus nog niet voor uw gezondheid. Juve bereikt de mensheid pas in de verre toekomst. Het verleden van Atwoods hoofdpersoon Snowman, vermoedelijk de enige mens op aarde die de biologische apocalyps overleeft, ligt ver na onze dagen.

Vreest u overigens wel voor de wereld. Margaret Atwood schreef in 1985 al een weinig vrolijke toekomstroman, The Handmaid's Tale, waarin ze de gesluierde, machteloze werkelijkheid van vrouwen in een fundamentalistisch land naar de toekomst extrapoleerde. Ditmaal heeft ze haar materiaal gevonden in biologisch rampennieuws over het uitsterven van soorten, in de ontwikkelingen rond gentechnologie en in de oppervlakkige snelheid van de computermaatschappij. In Oryx and Crake, kortom, heeft Atwood doemdenken tot kunst verheven.

Letterlijk. Het boek bevat geen vage benauwende visioenen, maar een minutieus uitgewerkte brave new world, het tekent nauwkeurig de aard van economie, wetenschap en kunst, van intermenselijke relaties en de relatie tussen mens en dier in het tijdperk dat de mens de planeet geheel naar zijn hand heeft gezet, als ware hij God.

Smartieskleuren

Er zijn zelfs twéé nieuwe werelden in Oryx and Crake. Na de apocalyps leeft Snowman als enige mens te midden van de `Crakers', ontworpen door Snowmans ambitieuze jeugdvriend Crake in het `Paradice'-laboratorium. Ze zijn passief, gelukkig, glad van huid en uitgevoerd in beeldschone UV-bestendige smartieskleuren. Ze leven op enkel gras en blaadjes. Het zijn, zoals Snowman opmerkt, een soort baby's die ook kunnen dienen als grasmaaier.

Crake en zijn vriendin Oryx zijn dood, maar gelden voor de Crakers als een soort Adam en Eva; Snowman is degene die de Crakers na de apocalyps naar het beloofde land heeft geleid, ergens aan de kust van wat vroeger de Verenigde Staten of Canada was, maar zelf heeft hij moeite om te overleven. Gehuld in een beddenlaken, met zonnebril en baseballpetje op, bedenkt hij dat de planeet na deze apocalyps weer terug is bij Genesis: `the whole world was now an uncontrolled experiment'. Soms, denkt Snowman, lijkt de wereld nu mooier dan in zijn jeugd, voor de apocalyps.

Op die jeugd, onze toekomst, heeft Atwood zich uitgeleefd, voortbouwend op Orwell, Huxley en H.G. Wells en met haar eigen fantasie en humor. De eindtijd volgens Atwood is een dor landschap dat geheel is onderworpen aan de wil van één soort; de naar groei en vermeerdering strevende homo economicus. Die woont in zwaar beveiligde bedrijfsenclaves, waar hij zich bezighoudt met het ontwerpen van soorten die hem kunnen dienen, zoals daar zijn pigoons (varkianen, dragers van menselijke reserve-organen), gevaarlijke wolvogs (zwolven) of de ChickieNobs, zelfklonende, vogelpestvrije kipfiletjes. Een complete kip is nergens meer voor nodig, wat heet, alle oude diersoorten zijn uitgestorven. Hun namen figureren enkel nog in het computerspel Extinctathlon, waarin Crake later inspiratie zal vinden voor zijn eigen uitsterfspelletje.

Naast toeval en gevaar zijn ook diversiteit en originaliteit, en vooral: betekenis, al lang weggemanipuleerd. Ziel en geest tellen niet meer, alleen het pornografisch lichaam bestaat nog. Net zo is de geschiedenis van zijn inhoudelijk gewicht ontdaan; in het computergame Blood and Roses kunnen ouderwetse menselijke prestaties geruild worden tegen achterhaalde menselijke wreedheden, precies, alsof het niets is. Ook taal doet niet meer ter zake, logo's zeggen immers genoeg. Snowmans uitzonderlijk grote vocabulaire is tijdens zijn jeugd al een eigenaardigheid. Af en toe herinnert hij zich liedjes, `the golden oldies from back when songs had words'.

Mooie liedjes

Het is, kortom, allemaal achteloze brille die Atwoods schrijversfantasie kenmerkt. Een systematische fantasie is dat, die wetenschappelijk ingesteld is, vrij, vol van literaire eruditie en toch luchtig. Maar het is ook: te veel. Te veel een opeenstapeling van angsten van weldenkende krantenlezers, te veel een exposé van cultuurpessimistische doemscenario's. Toenemende betekenisloosheid wordt aan de kaak gesteld met al te betekeniszwangere voorbeelden, en dat werkt na een tijdje dan precies de andere kant uit. Echt, zo wil je als lezer tegenwerpen, er bestaan ook mooie liedjes zonder woorden! En heus, ook van na de tijd van Mendelssohn!

Atwoods sciencefiction is een vorm van heimwee; heimwee naar een vroeger met meer eruditie, meer menselijke maat. Dat heimwee komt voort uit de waarschuwing waarop Oryx and Crake gebouwd is. God dobbelde niet; de menselijke soort doet dat volgens Atwood iets te gretig. We dreigen te goed te worden in het scheppen van onze eigen wereld. Daardoor verliezen we de wereld zoals we die kennen en uiteindelijk onszelf. Zonder landschap, zonder dieren, zonder geschiedenis en originaliteit bestaat de mens niet meer, al is hij nog in leven. De waarheid van dit adagium blijkt overigens in de eerste plaats uit de roman zelf, want zo gedetailleerd als Atwood haar gruwelijke nieuwe wereld schetst, zo schematisch blijven de figuren van Crake en Oryx; haast per definitie kunnen ze niet meer worden dan dragers van ideeën.

Alleen Snowman komt als menselijk personage uit de verf. Te midden van de Crakers, maar afgesneden van zijn soortgenoten en met een vreselijke wond aan zijn voet, is hij als Philoktetes op Lemnos. Maar anders dan Philoktetes verliest hij zijn woordenschat, zijn geheugen, en wordt een `white illusion of a man'. Vandaar de computertaal die is toegevoegd aan zijn relaas; op gezette tijden staat er in de tekst:

<ed space>

<ed space>

Is Snowman al zo ontmenselijkt dat hij de taal spreekt van computers? Of is hij een computer, vermomd als mens? Atwood vertelt het ons niet; en het doet in wezen ook niet ter zake. Mensen en humanoïden hebben volgens de schrijfster immers dezelfde opdracht. Geen enkele soort mag andere soorten verdringen. Edit space. Deel de ruimte in en laat anderen ook wat plaats. Zo deed God het, zo doet de schrijfster het, en zo zou de mens het moeten aanpakken. Schep, ondanks alles. Maar in godsnaam, schep bescheiden.

Margaret Atwood: Oryx and Crake. Penguin, 394 blz. €31.55. De Nederlandse vertaling, Oryx en Crake, is deze week verschenen bij Bert Bakker, €21,95.