Groter dan Nederland

De grote voorsprong in politiek, economisch en cultureel opzicht op de andere provincies heeft Holland altijd behouden. Een nieuw seriewerk laat zien hoe dat komt.

Wie in het buitenland `Holland' zegt, bedoelt doorgaans Nederland. Het is een vanzelfsprekende naamsverwisseling die een land vereenzelvigt met zijn voornaamste gewest. Wie dan ook de geschiedenis van Holland moet schrijven en daarbij de ruimte van zijn opdrachtgevers voor ogen heeft – de besturen van de provincies Noord- en Zuid-Holland – komt voor de vraag te staan of er eigenlijk wel een eigen Hollandse identiteit bestaat of valt te construeren los van de nationale.

De provinciebesturen wilden met hun opdracht voor deze Geschiedenis van Holland de groei van een `Hollands historisch bewustzijn' bevorderen, waarmee het blijkens hun `Woord vooraf' maar `matig' is gesteld. Hun financiële steun bood de mogelijkheid tot een bijzondere uitgave. Want de boekdelen verrassen door raak en rijk gekozen afbeeldingen die de teksten verlevendigen en verdiepen en nog net niet overheersen. Een beeldredactie onder leiding van Eelco Beukers tekende hiervoor. Dat is alvast letterlijke beeldvorming. De 36 door de historicus Thimo de Nijs verzamelde auteurs hebben zich in stijl en aanpak gehouden aan het stramien van een boek dat voor een brede kring in Holland en daarbuiten aantrekkelijk moest zijn.

De vereenzelviging van Holland met Nederland krijgt in dit seriewerk een historische verklaring: het werd in de zestiende eeuw in politiek, economisch en cultureel opzicht het belangrijkste gewest in de opstand tegen het Habsburgse absolutisme die de basis legde voor de huidige staat. Die voorsprong is het niet meer kwijt geraakt, ook al veranderde de Republiek der Zeven Provinciën in het ene koninkrijk der Nederlanden. Dat werd en wordt immers bestuurd vanuit de Ridderzaal, ooit het domein van de graven van Holland. Dit concept geeft een zeker houvast in de indeling van deze geschiedenis, die op deze manier ook het antiquarische karakter van regionale historische nieuwsgierigheid overstijgt.

Het geheel wordt beheerst door een opgaande lijn. In het eerste deel beschrijven de auteurs Holland vanaf zijn prehistorie tot en met de zestiende eeuw. Hun visie op de Middeleeuwen wordt bepaald door het vergezicht van een uiteindelijke bloei, waarvan eerst de aanloop moet worden verklaard. De scheidslijn is 1572. Het feit dat deze keuze rechtvaardigt was voor de eindredactie niet de spectaculaire verovering van Den Briel in april 1572 door de Watergeuzen maar het besluit van de Staten van Holland in juli van dat jaar om Willem van Oranje te steunen in zijn streven de tirannie van de Spaanse hertog Alva te verdrijven. De tweede scheidslijn is 1795: de Bataafse Republiek. Dan wordt immers de eenheidsstaat gecreëerd, die een einde maakt aan de regionale soevereiniteit. Holland verloor toen, net als de andere gewesten, zijn zelfstandigheid maar bleef de eerste onder zijnsgelijken.

Het eerste deel kan gelden als een voorbeeld van moderne middeleeuwse geschiedschrijving; onder andere in het indringend geschetste verband tussen de groei van het schrift en de verdieping en verscheidenheid van de religie van de hand van Marco Mostert. Het eerste hoofdstuk over de prehistorie eindigt met een vraag: `Holland voor zijn ontstaan: een gebied met vooruitzichten?' Het beeld van `het Holland van het eerste millennium' maakt het `vrijwel onvoorstelbaar', dat binnen een paar eeuwen op deze bodem een politieke en economische wereldmacht zou ontstaan.

Waterrijk

Wim Blockmans geeft aan het eind het antwoord: vier pijlers zijn het waarop de unieke plaats van Holland zou berusten. Het waterrijke gewest hadden de bewoners met eigen handen bewoonbaar en bevaarbaar gemaakt. Er was een cultuurlandschap ontstaan dat hoge eisen stelde aan het onderhoud en aan het beheer. Dat was weer de aanleiding tot versterking van de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. De belanghebbenden creëerden op een vroeg moment in de Europese geschiedenis samenhang en overleg in de waterschappen.

De tweede pijler is die van de transporteconomie; Peter Hoppenbrouwers spreekt over Hollandse schippers als de vrachtvaarders van Europa. Het water was de natuurlijke aanleiding tot de ontwikkeling van scheepvaart en scheepsbouw plus de opbloei van een `landseigen' talent om overal producten te halen, te brengen en te verkopen. Holland kende bovendien een politieke structuur die diversiteit combineerde met een zwak centrum, waardoor de noodzaak van overleg en schikking tussen tamelijk zelfstandige deelnemers het kenmerk werd van zijn bestuurscultuur. De vierde pijler tenslotte was cultureel van aard. In de veertiende eeuw liet zich in de Hollandse steden de beweging van de Moderne Devotie zien met haar nadruk op soberheid en zuiverheid en op de directe verstaanbaarheid van de volkstaal. Deze religieuze cultuur werd een vruchtbare voedingsbodem voor de Hervorming.

Het tweede deel gaat over Hollands politieke hegemonie en culturele bloei in de Republiek. Het is het meest complete boek van de reeks, met ruime aandacht voor de economie en de zorg en immigratie, maar ook voor de wetenschappen en de kunsten. Het beeld van Hollands welvaren kan ook in de historische compositie een succesformule worden. Willem Otterspeer – en ook Willem Frijhoff in zijn slotbeschouwing – benadrukken de dominante plaats van de techniek in de Hollandse samenleving. Er heerste een wetenschappelijke cultuur, niet alleen van grote professoren maar juist ook van kleine `kennisondernemers' die allerlei wetenschappen onderwezen maar ook lessen gaven in wat de koopman of de boer diende te weten.

Frijhoff doet een poging het `Hollandgevoel' van de tijdgenoten te omschrijven. Het voornaamste kenmerk was een collectieve afkeer van uniformiteit: van opgelegde tucht, van formele standsverschillen en van het keurslijf van een maatschappelijke orde, kenmerken die nu juist zo zichtbaar (en voelbaar) waren in de buurstaten voor het Ancien Régime. Holland was ook het machtigste gewest in de toenmalige tegenstelling tussen de landwaarts en zeewaarts gerichte gewesten. De eerstgenoemde hadden een aanvalsfunctie (zoals Holland), de andere moesten zich toeleggen op de verdediging. Er gold in de Republiek een typerend verschil tussen de protocollaire rangorde en de feitelijke machtsbalans. Het gewest Gelre was formeel nummer één en liet dat graag blijken; Holland daarentegen torende in feitelijke macht hoog boven alle andere uit.

De twee banden over de negentiende en twintigste eeuw laten een ander Holland zien, namelijk dat van een provincie in de eenheidsstaat. In een bijdrage over Holland als `brandpunt van macht en modernisering' tonen Hans Knippenberg en Ben de Pater aan hoe binnen een Nederlandse context de beide Hollandse provincies in economisch en maatschappelijk opzicht het kerngebied zijn gebleven. Trefwoord is daarin de Randstad, een begrip dat staat voor een groot domein van kennis en informatie. Het is ook de regio van de grote ondernemingen in Nederland. Sprekend voorbeeld in de culturele sfeer is de overheersing van de Hollandse interpretatie van de landstaal. Klank en woorden zoals gesproken in de Hollandse steden zijn in de moderne geschiedenis de standaard geworden van Algemeen Beschaafd Nederlands.

Mythes

De geschiedschrijving over Holland in de negentiende en twintigste eeuw is veel minder compleet dan de vorige delen. De economie wordt adequaat behandeld en dat geldt ook voor een aantal maatschappelijke verschijnselen als zorg en immigratie. De kunsten daarentegen zijn uit het palet verdwenen, ook al behield Holland in dat opzicht zijn centrale positie en ook al wordt nadrukkelijk gesteld dat de cultuurspreiding over de periferie niet is geslaagd. De godsdienst wordt vooral vereenzelvigd met verzuiling en de culturele strijd om de nationale feesten. Het gemis wordt gecompenseerd door een beschouwing over `Hollandse tonelen' door de antropoloog Rob van Ginkel, waarin de merkwaardige positie van het gewest in de folklore aan de orde komt. In Holland kan zowel het burgerlijke (en stedelijke) verleden van de Gouden Eeuw tot leven worden gewekt als de landelijke properheid van het oude Broek in Waterland of de vissers van Marken en Volendam.

De allerlaatste illustratie is een eerbetoon aan Kenau Symonsdochter Hasselaar, van wie de mythe wil dat zij in 1573 weliswaar de verovering van Haarlem door de Spanjaarden niet ongedaan had kunnen maken maar die wel met driehonderd vrouwen een Spaanse aanval zou hebben afgeslagen. In het Hollandse historische bewustzijn, het ideaal van de provinciebesturen, is zij een vertrouwde figuur. De auteurs hebben een historisch monument voor Holland opgericht, maar ze wijzen vaak op schijn en wezen, op mythen en waarheid. Gemakkelijk hebben ze het de behoeftige provinciebesturen dus niet gemaakt.

Thimo de Nijs en Eelco Beukers (red.): Geschiedenis van Holland. Drie delen in vier banden. Verloren, 1580 blz. €90,–