Gestolen kunst gedijt goed

Illegale handel, roof en smokkel van kunstschatten zijn van alle tijden. Een mondiaal systeem voor teruggave stuit op grote bezwaren en komt maar niet van de grond.

De Elgin Marbles, een serie antieke sculpturen van het Parthenon op de Akropolis in Athene, zijn de trots van het British Museum. Ze kwamen in Londen door toedoen van Thomas Bruce, zevende graaf van Elgin en Brits ambassadeur in Istanbul. Tussen 1803 en 1812 liet hij de sculpturen van het Parthenon halen. Daarbij beriep hij zich op het verlof van de Sultan van het Ottomaanse rijk waartoe Athene toen behoorde.

Griekenland wil de Elgin Marbles al geruime tijd terug hebben. Het begint te dringen, vindt Athene. Volgend jaar is Griekenland het gastland van de Olympische Spelen en daar past de terugkeer van het erfgoed mooi bij. Maar het British Museum wees de eis tot teruggave tot nu toe categorisch van de hand.

Eind vorig jaar kreeg het British Museum steun van zeventien andere topmusea in de wereld, waaronder het Rijksmuseum in Amsterdam. In een gezamenlijke verklaring spraken zij zich uit tegen restitutie van een aantal gezichtsbepalende oude kunstvoorwerpen in hun bezit aan het land van herkomst. De geschiedenis valt niet terug te draaien, vinden de musea. Zij maken grote culturele erfgoederen voor iedereen toegankelijk. Dat is belangrijker dan het honoreren van in wezen nationalistische aanspraken, zoals die van de Grieken.

Geschillen over het restitueren van cultuurgoed zijn op 23 mei het thema van een internationaal seminar in het Haagse Vredespaleis. Deze juridische bijeenkomst heeft een onverwachte actualiteit gekregen door de plunderingen van kunstschatten in Irak. Restitutie is bij uitstek een internationale kwestie. Veel landen hebben nationale wetten uitgevaardigd om de uitvoer van beschermd cultuurgoed te verhinderen (in Nederland is dat de Wet bescherming cultuurbezit uit 1984). Maar als de vogel gevlogen is, kan medewerking van andere landen niet worden gemist.

Vroeg of laat duikt smokkelkunst op in het legale circuit. Aangezien de vraag het aanbod mede bepaalt, moet niet alleen worden gekeken naar de smokkelaars, maar ook naar de afnemers. Een aanknopingspunt vormt de zogeheten `provenance', een beschrijving van de herkomst van een object. Als die niet volledig is en een gat vertoont, kan dat wijzen op illegale activiteit. De moeilijkheid is alleen dat ook keurige kunstverkopers soms onbekend wensen te blijven (al was het alleen om familieredenen).

Het restitutievraagstuk heeft betrekking op uiteenlopende situaties. De herkomst van de Elgin Marbles is niet glanzend – een kwart van de kosten die de lord maakte ging naar omkoping van Turkse functionarissen – maar valt niet los te zien van de historische context. Het British Museum zou in deze tijd waarschijnlijk nooit een gift met een dergelijke herkomst aanvaarden. Maar zelfs de grote voorstanders van teruggave van de friezen (zij spreken overigens consequent van de Parthenon Marbles en niet van de Elgin Marbles) erkennen dat de handelwijze van de zevende graaf in zijn tijd heel gewoon was. En dat hij ze van verval heeft gered. En hoe ver in de tijd kunnen restitutieclaims teruggaan? De Romeinen namen dingen mee uit de landen die zij veroverden – evenals de Grieken zelf trouwens. De Fransen hebben er weinig berouwvol zelfs een woord voor bedacht: `elginisme'.

Naast oude kwesties zijn er ook actuele restitutieclaims. Overal in de wereld worden nog steeds aan de lopende band kunst en antiquiteiten gestolen, geplunderd en gesmokkeld. Hier komt restitutie als juridisch instrument eerder in aanmerking, gezien de noodzaak niet alleen het aanbod tegen te gaan maar ook iets te doen aan de vraagzijde. De UNESCO wees de weg met een verdrag uit 1970. Dit is door veel kunstexporterende landen aanvaard maar slechts door enkele van de grote kunstimporterende landen. Ook Nederland heeft het verdrag niet geratificeerd. Behalve eigenbelang – een restitutieverplichting vormt een permanente donderwolk boven de kunstmarkt – spelen ook bezwaren van juridische aard een rol. Deze betreffen vooral de bureaucratische papierwinkel voor kunstexport die het UNESCO-verdrag met zich meebrengt en de zwakke rechtspositie van een kunstkoper die te goeder trouw in het bezit is gekomen van smokkelkunst.

UNESCO liet het er niet bij zitten en lanceerde in 1995 een nieuw initiatief, het zogeheten Unidroit-verdrag. Dit gaat nog verder dan het verdrag uit 1970. Unidroit zet de rechter van het aangezochte land geheel buiten spel en maakt het mogelijk nog 75 jaar na dato met een restitutieclaim te komen. Daardoor wordt de verdediging tegen zo'n claim bemoeilijkt zo niet onmogelijk gemaakt. Het Unidroit-verdrag heeft de tegenstellingen alleen maar verscherpt.

In hun verklaring benadrukten de achttien topmusea dat ook zij willen dat er wordt opgetreden tegen illegale handel in de wereld. Het was hun er alleen maar om begonnen een aantal speciale objecten, zoals de Elgin Marbles, voor de musea te behouden. Dit onderscheid was niet besteed aan China, dat heftig reageerde op de verklaring van de grote musea. China heeft onlangs een speciale organisatie `voor herstel van verloren culturele relieken' opgericht. Deze organisatie formuleerde meteen een eis aan het buitenland tot teruggave van `roofkunst'. ,,Met de oudste leden van rond de negentig jaar en de jongste rond de zeventig vormen deze geleerden zelf een nationale schat in termen van hun weergaloze kennis'', zo onderstreepte het Chinese persbureau Xinhua de ernst van de claim. Volgens dit eerbiedwaardige gezelschap bevindt zich een miljoen oude Chinese kunstschatten in tweehonderd musea in 47 landen, nog afgezien van vele duizenden objecten in particuliere collecties.

De lijst van omstreden kunstbezit is lang. Bij de expositie Faszination der Antike van de verzamelaar George Ortiz in het Altes Museum in Berlijn (1996) waren 261 van de getoonde voorwerpen – 93,2 procent – van onduidelijke herkomst. ,,Een reden tot schaamte'', zei de Britse archeoloog Lord Renfrew daarover. In zijn boekje Loot, Legitimacy and Ownership (2001) spreekt Renfrew van niet minder dan een `ethische crisis' in de handel in oudheden. Ortiz voelt zich niet aangesproken. Hij heeft de handel in antiquiteiten zonder behoorlijke provenance vergeleken met een slagveld: daar verzorgt men ook gewonden zonder te vragen of ze behoren tot de vijand of tot de eigen troepen. Toch leiden kunstvoorwerpen met een onduidelijke herkomst steeds vaker tot rechtszaken. Een centrale rol speelt daarbij de federale rechter in New York, het internationale knooppunt van de kunsthandel.

De jongste testcase betreft een prominente handelaar in antiquiteiten, Frederick Schultz, voormalig voorzitter van het Amerikaanse genootschap van handelaren in oosterse oudheden. Schultz werd in juni vorig jaar veroordeeld tot 33 maanden gevangenisstraf wegens het verhandelen van gesmokkelde Egyptische oudheden, waaronder een kop van Amenhotep III met een geschatte waarde van meer dan een miljoen dollar. De stukken waren afkomstig van een Britse vrijbuiter, Jonathan Tokeley-Parry, die in Engeland werd veroordeeld. Beide rechtszaken draaien om een Egyptische wet uit 1983 die alle oudheden die na dat jaar zijn opgegraven tot staatseigendom verklaart. Tokeley-Parry had geprobeerd deze wet te omzeilen door voor te wenden dat de stukken afkomstig waren van een fictieve collectie uit de jaren twintig, waarvoor hij de naam leende van een ver familielid. De kop van Amenhotep werd door hem bewerkt om door te gaan voor een moderne replica.

Schultz ging in beroep tegen zijn veroordeling. Hij protesteerde tegen wat hij beschouwt als de automatische toepassing van een vreemde (Egyptische) wet door de Verenigde Staten.

Dit punt is ook buiten de VS van belang: wat is de betekenis van wetten ter bescherming van nationaal erfgoed? Schultz werd veroordeeld wegens het voorhanden hebben van `gestolen goed'; de Egyptische wet zegt immers dat de staat eigenaar is van opgegraven antiquiteiten. Maar volgens de handelaar gaat het eigenlijk om een exportwet. Dat maakt verschil: het is één ding om medewerking van een buitenlandse rechter te vragen om een regelrechte diefstal ongedaan te maken (en zelfs dan lopen nationale rechtstradities uiteen). Bij exportwetten is er meer reden voor discussie. Wat illegale export is voor het ene land hoeft dat niet noodzakelijk te zijn voor een ander, noteerde Sabine Gimbrère van het ministerie van OCenW droogjes in het Netherlands Yearbook of International Law van 1992. Neem alleen de omschrijving van het te beschermen cultureel erfgoed. Egypte wil in beginsel alle oudheden beschermen. Nederland heeft een lijst opgesteld van een beperkt aantal beschermde kunstvoorwerpen. Zo zijn er nog meer verschillen. Daarvoor kunnen goede redenen van nationale aard bestaan, maar de vraag is of andere landen die criteria klakkeloos moeten overnemen. Het wordt op deze manier wel erg moeilijk voor een handelaar of koper te weten waar hij aan toe is. En dat is in strijd met het grondbeginsel dat juridische verplichtingen van tevoren behoorlijk kenbaar moeten zijn.

De nationale exportwetten lopen zo uiteen dat het de vraag is of daarop wel een mondiaal systeem voor restitutie valt te baseren. Deze vraag is voor Nederland actueel omdat er nog steeds een beslissing moet worden genomen over al dan niet toetreding tot het eerder genoemde Unidroit-verdrag. Dit zegt dat onze rechter buitenlandse wetten tegen kunstexport zonder meer moet volgen.

De Nederlandse regering heeft dit verdrag direct nadat het in 1995 tot stand kwam ondertekend, met name omdat wij als handelsnatie een slechte naam zouden hebben gekregen op het gebied van smokkelkunst. Er waren toen net antiquiteiten van dubieuze herkomst uit Ghana en het geplunderde tempelcomplex Angkor Wat in Cambodja onderschept in de Rotterdamse haven. Maar de ratificatie van het verdrag – waardoor het pas kracht van wet krijgt – bleef tot nu toe uit. Eerst moest worden gewacht op de officiële toelichting bij de verdragstekst, omdat de tekst zelf vragen opriep. Die toelichting is inmiddels verschenen, deelde de demissionaire staatssecretaris van Cultuur, Cees van Leeuwen, in januari mee. Toch is volgens de bewindsman nog steeds niet voldoende duidelijk welke juridische consequenties nu precies aan het verdrag verbonden zijn, zodat een nader onderzoek van de ministeries van OCenW en Justitie nodig is.

Een officiële Britse commissie onder voorzitterschap van de advocaat en hoogleraar kunst en recht Norman Palmer kwam eind 2000, alles afwegend, al tot een negatief advies. Unidroit heeft voordelen, maar deze worden overschaduwd door het bezwaar dat het de bewijslast geheel omdraait ten nadele van de verkrijgers van omstreden objecten. Toch staat Groot-Brittannië niet met lege handen tegenover de kunstsmokkel. Het is alsnog toegetreden tot het veelgesmade UNESCO-verdrag uit 1970, zij het met een aantal aanpassingen. Ook de Verenigde Staten, die het UNESCO-verdrag al eerder hebben aanvaard, stelden daarbij een aantal voorwaarden.

Dit is een beter voorbeeld voor Nederland dan krampachtig vast te houden aan het Unidroit-verdrag, dat werkelijk te ver gaat. Irak illustreert weer eens dat er werkelijk iets moet worden ondernomen tegen plundering en smokkel van cultureel erfgoed. Maar evenzeer is duidelijk dat een internationale bescherming van cultureel erfgoed die in strijd komt met elementaire rechtsbeginselen, uiteindelijk zichzelf alleen maar ondergraaft.