Even bellen met een superslavin

Van de Vlaamse auteur Paul Koeck (1940) is bekend dat zijn romans, toneelstukken en filmscenario's aanwijsbare wortels in de werkelijkheid hebben. Hij heeft een hekel aan fictie pur sang en laat zich het liefst inspireren door gebeurtenissen uit de actualiteit of uit zijn nabije omgeving die hem shockeren. In zijn jongste roman Het doorgeefmeisje zijn tal van elementen aan te wijzen die ontleend lijken te zijn aan een groezelige Vlaamse `onderwereld', waarin geperverteerde seks in groepsverband, zich niet zelden afspelend in de `betere kringen', in de loop der jaren huiveringwekkende krantenberichten heeft opgeleverd. Al ver voor de affaire-Dutroux doken in de Belgische media van tijd tot tijd gore verhalen over pedofilie en sado-masochisme op. Nu Dutroux op afzienbare termijn voor de rechter komt, lijkt het moment aangebroken voor een flinke scheut perversiteit in de literatuur. Koeck heeft zich al eerder met dit thema beziggehouden. Zo nam hij het in zijn non-fictie boek Notaris X (1990) op voor een Antwerpse notaris die ervan werd beschuldigd incest te hebben gepleegd met zijn beide zoontjes.

In hoeverre de geschiedenis van de mooie Marianne Quatorze, dochter van een blanke vader en een zwarte moeder en hoofdpersoon van Het doorgeefmeisje op de werkelijkheid is geënt, heb ik niet achterhaald. Koeck introduceert haar als één van de twaalf kinderen die ergens in de vorige eeuw met een militair vliegtuig uit een Afrikaans land, vermoedelijk Kongo, naar België zijn overgebracht. De kinderen blijken allemaal te zijn verwekt door dezelfde Vlaamse vader, een man die in Afrika veel geld heeft verdiend met koloniale plunderingen.

Voor Marianne kan geen adoptiegezin worden gevonden, daar is ze te mooi voor. Zodra ze `op zicht' komt, wordt ze misbruikt, onder andere door een notaris en diens zoon, wat weer herinneringen aan notaris X oproept. Marianne blijft onder voogdij van een bisschop, die ze in het bisschoppelijk paleis waar ze opgroeit op homoseksuele handelingen betrapt. Hoewel de bisschop haar alle kansen van de wereld wil geven, ze mag studeren, arts worden en wat niet al, ontwikkelt het meisje zich tot een soort luxe hoer. Zo wordt ze de maintenee van de Vlaamse rechter Bram Bonami, de man die haar helpt om een einde te maken aan haar huwelijk met een ordinaire, gewelddadige groenteman. Bonami's boezemvriend is de schatrijke Braziliaanse esthetisch chirurg Otelo de Azevedo. Zij ontpoppen zich tot een soort sadomasochistische Jules et Jim (naar de beroemde film van Truffaut). Aanvankelijk bieden ze tegen elkaar op in het bevredigen van Marianne's onstuitbare masochistische behoeften, maar later doen ze het samen. Hun hoogtepunt beleven ze tijdens het met grove steken dichtnaaien van haar vagina.

Opmerkelijk is dat Marianne volstrekt geen belangstelling heeft voor haar Afrikaanse afkomst. Hoewel ze tastbare herinneringen aan haar kleuterjaren koestert, ontkent ze haar verleden en geneert ze zich er zelfs voor. Koeck wekt in deze roman de suggestie dat hier de oorzaak van haar drang tot zelfdestructie ligt, maar maakt dat geen moment aannemelijk. We krijgen überhaupt niets te zien van haar gevoelens of drijfveren. De vrouw, die we volgen tot haar eenenveertigste, wordt ons voornamelijk getoond door de ogen van hitsige mannen die alleen belangstelling hebben voor haar uiterlijk. Hooguit komt de lezer te weten hoe Paul Koeck denkt dat bepaalde mannen aankijken tegen een oogverblindend fraaie vrouw. In die zin is Het doorgeefmeisje een ouderwets seksistische roman.

Koeck heeft het boek opgezet als een thriller. Op de eerste pagina wordt een man doodgereden op een manier die opzet doet vermoeden. Het laatste nummer dat hij op zijn mobiele telefoon heeft ingetoetst is dat van Marianne. Achteraf wordt duidelijk wie de omgekomen automobilist is: eigenaar van een sm-club waar Marianne als superslavin aan haar gerief komt. Tijdens een justitieel onderzoek naar de oorzaak van het auto-ongeluk komt aan het licht dat rechters als Bonami en artsen als Otelo de Azevedo lid zijn van de louche seksvereniging. Het loopt dan ook slecht met hen af, alhoewel Marianne daar anders over denkt. `Jij en Otelo hebben van ons leven tenminste nog iets aparts kunnen maken', zegt ze tegen rechter Bonami als alles is uitgekomen en niemand meer iets te verliezen heeft.

Koeck die in 1999 met zijn zestiende roman De bloedproever werd genomineerd voor de AKO-prijs heeft beslist sterkere boeken geschreven dan dit al te gladde sensatieverhaaltje. Zijn dialogen zijn zo soepel als je van een door de wol geverfde toneel- en scenarioschrijver mag verwachten, zijn sfeerbeelden doen authentiek aan, maar zijn psychologisch inzicht is verduisterd door clichés en zijn maatschappelijk inzicht te zwaar gekleurd door moralisme. Misschien moet hij die oude, maar geenszins gedateerde film van Truffaut en vooral de worsteling van hoofdrolspeelster Jeanne Moreau daarin maar eens gaan terugzien.

Paul Koeck: Het doorgeefmeisje. De Bezige Bij, 204 blz. €18,50