Europa moet Polen bijstaan in Irak

Polen worstelt met zijn nieuwe plaats in de wereld. Vooral de rol van `bezetter' in Irak kost hoofdbrekens. Groot-Brittannië en de rest van Europa kunnen helpen. Dat is ook in het belang van Europa zelf, meent Timothy Garton Ash.

Wie worden na de bomaanslagen in Riad de volgende westerse slachtoffers van de terreur van de islamisten? Misschien wel de Polen die toezicht houden op de Poolse bezettingszone in Irak.

Ik ben net een week in Polen geweest. Iedereen met wie ik daar gesproken heb, van een boer die tussen zijn appelbomen op een wrakke stoel zat tot de premier in zijn imposante werkkamer, zag met hetzelfde ongelovige lachje aan hoe de positie van zijn land in de wereld totaal veranderd is. Twee eeuwen lang is Polen telkens weer door overheersers bezet en opgedeeld, en nu speelt het ineens zelf de rol van bezetter, van koloniale mogendheid.

Onder het communisme hebben mijn Poolse vrienden veertig jaar lang verlangend gesproken over `het Westen', en nu zij er eindelijk bij horen, lopen zij om die reden het gevaar van zelfmoordaanslagen. Onder een postcommunistische president en regering nemen de Polen in navolging van de imperialist Rudyard Kipling de white man's burden op zich, met een ironisch schouderophalen, en een mengeling van schroom en vastberadenheid.

Polen had in Irak bijna de noordelijke zone genomen, met Koerdistan. Daar dreigde de confrontatie met een Koerdische onafhankelijkheidsopstand. Dat had de Polen, die zelf een groot deel van de afgelopen twee eeuwen tegen bezettingsmachten voor hun onafhankelijkheid hebben gestreden, voor een zeker moreel dilemma kunnen plaatsen. In plaats daarvan hebben zij de zone gekregen die de Amerikanen Upper South hebben gedoopt. Deze omvat een aantal kerngebieden van de shi'itische islam. Daar vormen shi'itische extremisten, in samenwerking met gewapende infiltranten uit Iran, het grootste gevaar voor de veiligheid.

Zowel de premier als de minister van Buitenlandse Zaken heeft mij uitgelegd dat het postcommunistische Polen het post-ba'athistische Irak veel te bieden heeft. Niemand weet immers beter wat het inhoudt een dictatoriale staat en economie om te vormen tot een vrije en democratische. Maar de eerste grote opgave is de veiligheid.

Er is hun gezegd dat zij voor het toezicht in hun zone zo'n negenduizend militairen nodig zullen hebben. De Polen zelf hebben tot dusverre maar zo'n vijftienhonderd man beschikbaar gesteld, en de ervaring van de Poolse militairen met dit soort karweitjes is nihil. Hun eerste probleem is dat afgezien van een gemengde groep andere Midden- en Oost-Europeanen niemand veel zin heeft om onder hen te dienen.

Vorige week hebben zij, tamelijk naïef, geopperd dat Duitsland misschien zou kunnen bijspringen; tenslotte is er in NAVO-verband al een Duits-Deens-Pools korps actief. De Duitsers reageerden hierop met een scherp, nijdig nein! De Poolse diplomaten hadden moeten bedenken dat de regering-Schröder daar nooit aan zal beginnen zolang de Verenigde Naties geen helder mandaat geven voor de bezetting.

Daarnaast kun je je indenken dat het idee alleen al dat Duitsers zich onder auspiciën van de Amerikanen onder Pools bevel zouden scharen, voor de meeste Duitsers onverteerbaar zou zijn. Genereus een milde Duitse hand van verzoening uitsteken naar de Polen is één ding, oprecht voldoende respect voor hen opbrengen om onder hen te dienen is iets heel anders. Nu probeert de Poolse regering de Spanjaarden over te halen, maar de combinatie van Spaanse nationale trots met het feit dat de Amerikaanse oorlog tegen Irak in Spanje nogal impopulair is, terwijl José María Aznar net voor regionale en lokale verkiezingen staat, maakt ook dat moeilijk.

En dus ligt er een kans voor Groot-Brittannië. Tony Blair houdt eind mei een belangrijke toespraak in Warschau. Zijn voornaamste doel zal zijn, blijk te geven van de belangstelling van de Britten voor het land, en steun uit te spreken voor de `ja-partij' in het Poolse referendum over het lidmaatschap van de Europese Unie. (Het is altijd wat makkelijker om andermans Euroreferenda aan te pakken dan die van jezelf.) Maar hij zou de gelegenheid moeten aangrijpen om ook te melden dat Groot-Brittannië Britse troepen stuurt om onder Pools bevel dienst te doen in Upper South.

Logistiek gezien is dat nogal simpel, want er zitten al Britse troepen in Irak. Militair gezien is het heel zinnig, want de Britten hebben oneindig veel meer ervaring met dit soort operaties dan de Polen, en chaos in de Poolse zone zou de aangrenzende Britse zone geen goed doen.

Bovenal zou het een fraai politiek gebaar zijn. Piloten van de Poolse luchtmacht hebben ooit, tijdens de Battle of Britain, hun leven gegeven voor de verdediging van Groot-Brittannië. Zij deden dat onder Brits bevel. Zou het niet bijzonder passend zijn als Groot-Brittannië nu als eerste grote Europese mogendheid troepen aanbood om in een derde land te dienen onder Pools bevel? Of u de huidige Brits-Amerikaanse bezetting van Irak nu goedkeurt of niet, daar zult u de poëtische gerechtigheid toch wel van inzien.

Toch loert ook hier een lelijke politieke adder onder het gras. De regering-Bush heeft Polen namelijk geen bezettingszone toegewezen uit filantropische `polofilie', of enkel met het oog op de stemmen van de Poolse Amerikanen. Het was ook onderdeel van een onplezierige Amerikaanse verdeel-en-heersstrategie: een demonstratieve handreiking naar wat Donald Rumsfeld het ,,nieuwe Europa'' noemt, tegelijk met een afwijzing van het ,,oude Europa'' van Frankrijk en Duitsland. Het is haast onweerstaanbaar vleiend.

Welk Pools hart zal niet geroerd zijn door de recente krantenkoppen als `Polen stijgt naar status wereldspeler' (Wall Street Journal Europe) en `Polen schuift aan bij de grootmachten' (NRC Handelsblad)? (Een staande ovatie in Washington brengt tenslotte zelfs Britse premiers weleens het hoofd op hol.

Ik kwam in Warschau onder de indruk van de tamelijk nuchtere houding van de Poolse leiders tegenover deze verleiding. Hoe verontwaardigd zij ook zijn over de opstelling van de Fransen en de Duitsers, zij lijken vastberaden om geen pion – of zelfs maar een toren – te worden in het spelletje schaak dat Washington in Europa speelt. Veel aandacht kreeg onlangs de topconferentie van Polen, Frankrijk en Duitsland, waarbij president Aleksander Kwasniewski in Wroclaw een ontmoeting had met president Jacques Chirac en kanselier Gerhard Schröder. Maar Polen kan op dit slappe koord tussen Europa en Amerika enorm geholpen worden door een land dat eigenlijk hetzelfde nummertje acrobatiek opvoert: Groot-Brittannië.

Blair zou dan ook niet moeten voorstellen dat Polen zich aansluit bij een Brits-Amerikaans bondgenootschap. Nee, het moet in Europees verband gebeuren. Blair zou een goed woordje kunnen doen bij zijn vriend José María Aznar, misschien om na de Spaanse verkiezingen van 25 mei wat Spaanse troepen te laten overbrengen van de Britse naar de Poolse zone.

Hij zou zijn vriend Gerhard Schröder kunnen bepraten om toch wat Duitse troepen te sturen, wanneer en als er een voor hen acceptabel VN-mandaat komt. Hij zou eens even kunnen praten met de Denen, die in het Duits-Deens-Poolse korps nauw met de Polen hebben samengewerkt. Mettertijd zou zowel de Britse als de Poolse zone een Eurozone van NAVO-vredeshandhavers moeten worden, onder het soort internationale, wettige, multilaterale autoriteit dat de Europeanen graag zien in de wereld. En natuurlijk moeten wij heel duidelijk maken dat deze harde kern van Europese veiligheidssamenwerking in het Midden-Oosten zonder meer openstaat voor de Fransen, wanneer zij maar willen – wij hopen er van harte op.

Eén ding nog: Tony Blair zou eventjes kunnen bellen met zijn vriend George W. Bush, om er zeker van te zijn dat wanneer de Amerikaanse president in Krakow spreekt – één dag na de speech van de Britse premier in Warschau – hij laat weten dat de Verenigde Staten het Poolse lidmaatschap van een sterke Europese Unie van harte steunen.

Als de paus die dubbelslag dan nog een beetje spiritueel afrondt, moet de Poolse regering haar Euroreferendum kunnen winnen. Indirect zou dat Blair zelfs kunnen helpen om zijn eigen Euroreferendum te winnen.

Timoth Garton Ash is schrijver en fellow van het St. Anthony's College in Oxford. Dit is het eerste deel van een serie.