Er is helemaal geen berg

Gao Xingjian probeert in zijn boeken Chinese spiritualiteit te vermengen met westerse literaire vormen. Zelden is de collectieve angst in het China van de jaren zestig zo indringend beschreven, als in zijn laatste roman, een genadeloze biecht.

Tegen het einde van Gao Xingjians grote roman Berg van de Ziel ontvouwt zich een vreemde dialoog. Een verdwaalde reiziger vraagt een oude man waar hij de berg kan vinden waarnaar hij op zoek is. `Aan de andere kant van de rivier,' antwoordt de oude man. `Maar ik ben juist naar deze kant gekomen,' sputtert de reiziger. `Dan is het aan de andere kant van de rivier,' zegt de oude man. `Ik ben naar deze kant gekomen vanuit Wuyi, dus als u zegt dat het aan die kant van de rivier is, zou het dan niet eigenlijk aan deze kant moeten zijn,' zegt de reiziger verward. `Wil je niet naar de Berg van de Ziel?' `Jawel.' Dan ligt het aan de andere kant van de rivier.' Ten einde raad gooit de reiziger het over een andere boeg: `Meneer, dat is metafysica, hè?'

De dialoog had moeiteloos uit een stuk van Beckett kunnen komen, en inderdaad maakte Gao Xingjian in China naam met het absurdistische toneelstuk De bushalte, dat veel aan de schrijver van Wachten op Godot te danken had. Het werd in 1983 in zijn vaderland dan ook prompt verboden. Maar hoe droogkomisch het woord in deze dialoog ook mag vallen, in Berg van de Ziel draait het wel degelijk om metafysica. Net zo gemakkelijk leest deze scène als een zenboeddhistische raadselspreuk ter voorbereiding van een `geestelijke verlossing', zoals Gao het na de voltooiing van de roman in een kort essay noemde. Het boek is het verslag van de zoektocht daarnaar, die wordt beschreven als een lange reis vanuit de Chinese binnenlanden terug naar de kust, als een Chinese Pilgrim's Progress.

`Tegen jezelf praten is het begin van de literatuur,' zei Gao in zijn dankwoord voor de Nobelprijs voor de Literatuur die hem in 2000 werd toegekend. De prijs maakte van de vrijwel onbekende auteur en schilder, die alleen met zijn voor China revolutionair-moderne toneelwerk opzien had gebaard, in één klap een beroemdheid. Na de vertaling van zijn verhalenbundel Kramp hebben we er nu de Nederlandse uitgave van Berg van de Ziel (oorspronkelijk verschenen in 1990) en de Engelse vertaling van zijn roman Bijbel van één mens uit 1999 aan te danken.

In China werd terughoudend gereageerd op de toekenning van de prijs aan een auteur die – sinds 1987 woonachtig in Parijs – Chinese spiritualiteit tracht te vermengen met westerse literaire vormen. Verdient hij, aan deze kant van de verdeelstreep, een grotere waardering? Wat heeft Gao's romaneske zelfgesprek ons te zeggen, gepokt en gemazeld als wij zijn in literair individualisme? Want hoe bevrijdend ze tegen de achtergrond van de recente Chinese geschiedenis ook mag klinken, in een westerse context is Gao's Stockholmse principeverklaring dat een schrijver primair voor zichzelf schrijft en niet voor de `massa's', geen profeet is en al evenmin een professionele revolutionair, nauwelijks opzienbarend. Hetzelfde geldt voor de zoektocht naar `echtheid' die hij zijn hoofdfiguur laat ondernemen. Hooggestemd als dat mag zijn, klinkt het van romantiek tot existentialisme inmiddels ook tamelijk uitgekauwd.

We zijn voor de onbevangenheid van dat soort woorden te blasé geworden: dat is het ongemakkelijke besef dat zich bij lezing van Goa Xingjian gaandeweg opdringt. En daarmee bevangt ons onwillekeurig een soort schaamte, die gewoonlijk alleen rond bevrijdingsdag nog even wordt benoemd en zelfs dan op halfhartig ongeloof stoot. De vrijheid van het individu om te zoeken naar zijn eigen heil is niet vanzelfsprekend en moet worden bevochten. In Berg van de Ziel, dat in de jaren tachtig speelt, zijn daarvan de echo's hoorbaar. Wreedheden uit het verre verleden (`het uitsteken van ogen, het afsnijden van oren') worden opgelucht vermeld als voorbije zaken, `vergelijkbaar met wat er tijdens de Culturele Revolutie gebeurde' – dat wil zeggen: nog levendig herinnerd door de generatie van Gao Xingjian zelf.

Wat in Berg van de Ziel op de achtergrond meezoemt als een nog niet geheel verstilde herinnering, staat in De Bijbel van één mens in het centrum van het toneel. Dit boek is deels gesitueerd in het heden rond de figuur van een succesvol toneelschrijver die veel met Gao zelf gemeen heeft, en deels in de verschrikkelijke jaren zestig. De Bijbel van één mens vormt de grimmige omarming van de relatief verstilde bergtocht naar de verlossing. De collectieve angst, de vernederingen waaraan iedere willekeurig burger kon worden onderworpen, de martelingen en seksuele horigheid die schuil gingen achter de slogans van bevrijding van het proletariaat en het rücksichtslose wisselspel waarin wie vandaag de macht bezat morgen onder hysterisch massagekrijs kon worden mishandeld: het is allemaal al vaker beschreven maar zelden zo indringend als door Gao.

Volstrekte eerlijkheid tegenover zichzelf is – aldus Gao in Stockholm – steeds de leidraad geweest in zijn literaire zelfgesprek en dat leidt in De Bijbel van één mens tot een genadeloze biecht. Een systeem dat een hele samenleving corrumpeert, laat ook de schrijver-hoofdfiguur niet buiten schot. Wanneer het gevaar van een ongunstige (`kapitalistische') familieachtergrond dreigt, is zijn enige uitweg een vlucht naar voren. Net als zijn belagers, klaagt hij aan en vernedert hij, om op zijn beurt later door zijn vrouw te worden aangegeven – zoals Gao ook zelf is overkomen.

`Je schrijft simpelweg om duidelijk te maken dat een bepaald soort leven, echter dan een denkbeeldige hel, verschrikkelijker dan de Dag der Wrake, werkelijk bestaan heeft,' schrijft Gao in een kort intermezzo in het boek over het boek. De enige wijze om dat draaglijk te maken is het te bedekken met de schoonheid van de taal, want andere illusies zijn er niet. `Het is deze tijd die je vermoord heeft,' laat hij zijn hoofdpersoon later zeggen. `Er is voor niemand een ontkomen aan en het is ons lot voor elkaar te moeten zorgen, dus laten we maar niet over liefde praten.'

Die onverbiddelijkheid werpt een onuitwisbare doem over de samenleving en al degenen die daar deel van uitmaken. Ook in de chronologisch later gesitueerde passages, die het centrale deel van het boek omsluiten, zijn de menselijke betrekkingen hard. Seks overheerst, zoals ze dat ook al in de jaren zestig deed, als de enige ontsnapping aan een leven dat maar het beste gevoelloos kan zijn.

Daaraan doen zelfs de ongemakkelijke gesprekken met een Duits-joodse minnares over de verwoestingen van het totalitarisme niet aan af. Was het nazisme erger dan het maoisme, of andersom? Die vraag wordt door hem, die het allemaal heeft meegemaakt en alleen maar vergeten wil, anders beantwoord dan door haar, die de hel alleen van horen-zeggen kent en zich daarom aan de herdenking vastklampt. Haar naam? Margarethe – misschien een herinnering aan een van de vermoorde meisjes uit Paul Celans gedicht Todesfuge: `dein goldenes Haar Margarethe/dein aschenes Haar Sulamith'.

De kilte van De Bijbel van één mens spat zo uiteen naar de ontmenselijking van de Culturele Revolutie aan de ene kant, en de onverschilligheid van het hedendaagse westen – waarin Gao's hoofdpersoon heeft getriomfeerd – aan de andere. En chronologisch tussen beide in steekt de verlossingstocht van Berg van de Ziel, geschreven half voor en half na Gao's vertrek naar Parijs en al evenzeer steunend op autobiografische elementen. Zachtzinnig is Gao daarin al evenmin, noch voor zichzelf noch voor het land dat hij ontdekt.

Hij trekt door streken waarin oeroude culturen en gebruiken nog natrillen, al zijn ze door de Culturele Revolutie grotendeels vernield en verminkt. De natuur is onherstelbaar aangetast door megalomane projecten die slechts verwoesting hebben nagelaten. In een hilarische scène wordt hij door plaatselijke bestuurders onthaald als een Chinese Revisor, die met zijn Pekingse macht en connecties alle problemen zal oplossen. Sinds het plaatselijke bos tot natuurreservaat is uitgeroepen hebben de bosbouwers geen inkomsten meer, en de centrale overheden kijken sindsdien niet meer naar deze mensen om.

Onvermoede schoonheid, maar ook angsten, ontdekt de reiziger op zijn bergtochten. Hij verdwaalt, vindt moeizaam onderdak en stuit op veel onverschilligheid. De `echtheid' waarnaar hij op zoek is om zijn menselijkheid te herstellen die tijdens de voorafgaande politieke beroeringen systematisch was afgebroken, heeft steeds een dubbel gezicht. Het oerlandschap is – wil het ongerept blijven – op menselijk reizen niet ingesteld. En de oer-culturen die hij vindt bij de ethnische minderheden op zijn weg, zijn aangetast, vergeten of vernield. Eenmaal krijgt hij een oude man zover verloren gewaande taoïstische rituelen uit te voeren. Het schouwspel is adembenemend, maar loopt uiteindelijk uit op het zingen van schuine liedjes, tot grote hilariteit van de dorpsbevolking. Het dorpshoofd maakt er een einde aan. Het is de zoon van de oude man zelf.

Pijnlijk is de confrontatie tussen beiden. De vernedering van de oude, streng toegesproken door zijn eigen zoon, moet voor een Chinese lezer nog penibeler zijn dan voor een westerling. Maar in vergelijking met de verhoudingen in De Bijbel van één mens grenst de officiële toegeeflijkheid aan het ongelooflijke. Hier geen kinderen meer die hun ouders verloochenen en uit eigener beweging prijsgeven aan georkestreerde volkswoede. Hoezeer de tijden veranderd zijn blijkt later, wanneer de reiziger een dorp binnenkomt en een fonkelnieuwe leuze geschilderd ziet: `Bejubel met groot enthousiasme de oprichting van het comité voor bejaardensport!' Het is geen aankondiging van weer een nieuwe politieke campagne. Het dorp had simpelweg `een telefonische opdracht van hogerhand ontvangen, het ging er alleen maar om dat oude revolutionaire kaderleden een sporttoelage konden krijgen...'

Die laksheid en het opspelende ongeloof in wat ooit schrikwekkende leuzen waren scheppen de vrijheid waarin de reiziger zijn spirituele tocht kan ondernemen. Maar terwijl de `oorspronkelijke' culturen waarin hij zijn heil zoekt dubbelzinnig blijken, is ook hijzelf tweeslachtig. Een sensuele natuur, die ook hier uitmondt in een aanhoudende obsessie met het vrouwelijk lichaam, begeleidt zijn zoektocht naar verlossing. Gao ontleedt beide afzonderlijk met een even rigoureuze luciditeit. Twee personages zijn dan ook de hoofdfiguren van het boek: een `ik' en een `jij' die in afwisselende hoofdstukken worden opgeroepen. Zij lijken nauwelijks iets gemeen te hebben en zelfs hun avonturen lopen maar zeer gedeeltelijk parallel.

`Ik' is de spirituele zijde van het personage, de wat afstandelijker maar ook meedogenlozer beschreven `jij' is zijn sensuele kant. De eerste reist alleen en laat zich voornamelijk door het toeval leiden. De tweede is uitdrukkelijk op zoek naar de Berg van de Ziel en verleidt aan het begin van de tocht een verpleegster met een even sadomasochistische hang als Margarethe in De Bijbel van één mens. Ook tussen hen komt het nauwelijks tot liefde. Wel vertellen beiden elkaar verhalen die in het boek soms aparte short stories vormen. Ze boeien elkaar ermee, en vooral de hoofdfiguur put zich uit in verhalen van angst en verschrikking – en van manipulatie. Met een handomdraai, zo laat hij zien, verandert hij de verhalen van karakter en gebeurtenis, en daarmee van waarheid.

Schuilt daarin de poëtica van Gao Xingjian? Te vertellen wat ooit gebeurd is, bleek in De Bijbel van één mens de opdracht van de literatuur. Maar in plaats van fotografisch te zijn, moest dit realisme door het plezier worden gekleurd. `Je schrijven is alleen bedoeld om geluk te brengen in je leven... Je hebt dit boek voor jezelf geschreven, dit boek van een vlucht...' Wat het schrijven in behoeftige tijden slechts kan beogen is te ontkomen aan een werkelijkheid die alleen maar `eigenliefde en zelfbeklag, masturbatie en sadisme is...'

Zo panisch als deze latere roman is Berg van de Ziel nog niet. Een werkelijke verlossing lijkt niet op te dagen in deze ogenschijnlijk ordeloze reeks van scènes, episodes, verhalen en bespiegelingen. `Dit is helemaal geen roman,' laat Gao een fictieve criticus tegen het einde van het boek fulmineren. Het hangt als los zand aan elkaar, heeft geen plot en geen richting. `En dat wil modernist zijn, het lukt je niet eens om het westen na te doen,' schampert hij tegen het weerwoord van de auteur in. Verward blijft die achter, met één zekerheid: `Hij was gefascineerd door het gebruiken van taal om te vertellen over vrouwen over mannen over liefde over passie over seks over het leven over de dood over de ziel over de vreugde en pijn van het vlees....': een Pak van Sjaalman dat nog ruim een pagina doorgaat.

Ook in zijn toespraak in Stockholm zong Gao de lof van de taal, die `de ultieme kristallisatie is van de menselijke beschaving' en nog voordat ze menselijke communicatie mogelijk maakt bestaat in het zelfgesprek waarin een mens zich van zichzelf bewust wordt. Misschien moet de taal zeldzaam worden, voordat het zover komt: bevrijd uit de usurpatie van de slogans en tegelijk uit de inflatoire overvloed waarin literatuur commercie wordt. Schrijven om de inwendige eenzaamheid te verdrijven: dat was zijn drijfveer, zegt hij zowel in die toespraak als in Berg van de Ziel.

Brengt dat verlossing? De Berg van de Ziel wordt door de jij-figuur in het boek in ieder geval niet gevonden. Veeleer lijkt hij er steeds verder vandaan. En wanneer de ik-figuur tenslotte terug is gekomen in de kuststreken van waaruit hij was gevlucht, lijkt het niet veel beter. `Ik wist niet dat ik niets snapte en verkeerde nog steeds in de waan dat ik alles snapte. De dingen gebeurden achter me. Steeds was er een mysterieus oog, dus was het het beste als ik deed alsof ik alles snapte, ook al deed ik dat niet. Terwijl ik deed alsof ik het snapte, snapte ik er nog altijd niets van. In feite begreep ik niets, ik snapte niets.' Dat zijn bijna de laatste woorden van Berg van de Ziel.

Als dat nog taal is, dan is ze tot stilstand gekomen, en dat moet voor iemand die door haar gefascineerd wordt even slikken zijn. Gebeurt er in dit eindeloos ronddraaien van steeds dezelfde woorden nog wel iets? Hebben ze nog betekenis? Hoogstens lijkt Gao er zijn eerdere aankondiging in te voltooiien: `Wat een roman anders maakt dan filosofie, is dat een roman een gevoelsmatig geboorteproces kent... Dat is interessanter dan intellectuele spelletjes, maar net als bij het echte leven, ontbreekt ook hier een einddoel.' `Ik' zou even later hetzelfde zeggen over zijn eigen reis: `Het doelloos zijn was mijn doel. Het deed er niet toe waarnaar ik zocht.'

Absurdistisch of zen-boeddhistisch: de oude man aan de rivier bedoelde waarschijnlijk niets anders. `Je wilt de weg toch weten?' vraagt hij nuchter na de opspeling van de reiziger over `metafysica'. Die zegt dat dat zo is. `Dan heb ik het je al verteld,' zegt hij en loopt rustig weg langs de rivier.

Er is geen metafysica, en misschien ook helemaal geen berg. Is dat de verlossing: er is alleen maar wat er is? Valt er aan het einde van het boek nog wel iets te begrijpen? `In feite begreep ik niets,' luidt het slot ervan, als een berusting die wellicht tegelijk een bevrijding is. `Ik snapte niets. En zo was het'.

Gao Xingjian: Berg van de Ziel. Uit het Chinees vertaald door Anne Sytske Keijser. Meulenhoff, 556 blz. €29,90

Gao Xingjian: One Man's Bible. Uit het Chinees vertaald door Mabel Lee. Flaming, 450 blz. €18,95