Eigen bijdrage heeft nog nooit gewerkt

Een eigen risico van 200 euro moet patiënten bewust maken van wat zorg kost, zodat ze er minder gebruik van maken. Maar zo'n regeling werkte nooit.

Onder geen enkele regering was het tot nu toe een succes. Maar de beoogde coalitieregering van CDA, VVD en D66 gaat het tóch opnieuw proberen. Om de snel stijgende kosten in de zorg te drukken, wordt niet alleen het basispakket verkleind, maar krijgen ziekenfondspatiënten ook een eigen risico van 200 euro (maximaal 400 euro per gezin). Naast het extra geld dat ze moeten uitgeven, verandert er nogal wat voor ziekenfondspatiënten. Nu zien ze nauwelijks een rekening, de nota's gaan rechtstreeks naar de ziekenfondsverzekering. Straks worden ze geïnformeerd over het bedrag aan eigen risico dat nog openstaat voordat een rekening door het ziekenfonds wordt voldaan.

De invoering van het eigen risico voor ziekenfondspatiënten (tweederde van de Nederlandse patiënten) moet de consumptie van zorg afremmen. Wie eerst zijn eigen risico van 200 euro moet volstorten voordat tot terugbetaling wordt overgegaan, gaat vanzelf minder zorg consumeren, is de gedachte. Tegelijkertijd komt er geld vrij voor bijvoorbeeld het terugdringen van wachtlijsten en nieuwe medische behandelingen als gevolg van de technologische vooruitgang.

We kennen al eigen bijdragen voor bijzondere ziektekosten, de zogenaamde AWBZ. Bijvoorbeeld in de thuiszorg betalen patiënten een inkomensafhankelijke bijdrage. Voor het ziekenfonds gelden uitsluitend eigen bijdragen voor kraamzorg, hulpmiddelen (verband, protheses) en ziekenvervoer. In het verleden is ook in het ziekenfonds al danig geëxperimenteerd met eigen bijdragen.

Zonder succes, want de bureaucratische rompslomp bracht meer kosten met zich mee dan dat het wat opleverde. Zo werd in januari 1981 de vergoeding voor medicijnen aan een maximum gebonden om zo de uitgaven aan geneesmiddelen te drukken. Patiënten kregen per recept nog maar een beperkte hoeveelheid tabletten vergoed. Maar het aantal recepten nam toe in plaats van dat het medicijngebruik daalde. Om dat te ondervangen werd de medicijnenknaak ingevoerd. Per recept moest zelf 1,13 euro worden bijgedragen, tot een jaarlijks maximum van 56 euro per gezin per jaar. Maar hierdoor steeg juist weer het aantal voorgeschreven tabletten per recept. Het zogenoemde specialistengeeltje uit februari 1988 duurde zelfs nog korter. Elk bezoek aan een specialist kostte de patiënt 11,34 euro, met een maximum van 34 euro per jaar per gezin. Ook deze maatregel leidde tot meer papierwerk. Datzelfde gold onder Paars II tussen 1997 en 1999 voor de AEB-regeling, de algemene eigen bijdrage. Ziekenfondsverzekerden moesten, uitgezonderd van de kosten voor huisarts, tandarts en verloskundige, twintig procent van de gemaakte kosten uit eigen zak betalen. Elke ligdag in het ziekenhuis kostte 4 euro extra.

De eigen bijdrage in het ziekenfonds is in Nederland, in tegenstelling tot andere Europese landen, dan ook nooit echt van de grond gekomen. Maar de discussie erover, mede onder druk van oplopende zorguitgaven, is nooit verstomd. Met zes procent scoren we het laagst in Europa wat betreft het aandeel van eigen bijdragen in de totale zorguitgaven. Spanje staat aan kop (zie grafiek) met 26 procent, gevolgd door Italië met 25 procent. In de buurlanden Duitsland en België is het respectievelijk 13 en 18 procent. Ter voorbereiding op de kabinetsformatie bracht het ministerie van Volksgezondheid vorig jaar de praktijk van de eigen bijdragen in België en Frankrijk in kaart. Later dit jaar volgt aanvullend onderzoek door H. Kooijman van adviesbureau PharMerit naar de samenstelling van het basispakket en de vergoeding van de ziektekosten in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië. Uit een eerste samenvatting van dit laatste onderzoek blijkt dat eigen bijdragen in alle landen voorkomen. Maar structureel, dus voor vrijwel alle medische handelingen en verstrekkingen, in België en in Frankrijk. In Frankrijk kan het eigen risico evenwel worden herverzekerd, in België niet. De zogeheten remgelden hebben in België dan ook meer effect op de zorguitgaven dan in Frankrijk.

In België betaalt een verzekerde zo'n dertig procent van de eigenlijke kosten van de huisarts en veertig procent van de kosten van specialistische hulp uit eigen zak. De eigen bijdragen voor medicijnen variëren van 25 tot 80 procent. Het maximale eigen risico per jaar voor de laagste inkomens is 445 euro, voor de hogere inkomens loopt het op tot 2.500 euro per jaar. Verzekerden betalen in tegenstelling tot ziekenfondspatiënten in Nederland de rekening eerst zelf. Het eigen risico is in België dan ook relatief makkelijk te innen.

In een eerste reactie op de plannen van de coalitieregering voor de zorg dringt de koepelorganisatie Zorgverzekeraars Nederland aan op eenvoudige regelgeving. Bestuursvoorzitter B. Dessing van zorgverzekeraar VGZ vindt dat het geld niet door de zorgverzekeraar maar door de zorgaanbieder moet worden geïnd. ,,De patiënt'', aldus Dessing, ,,wordt zo gedwongen om kritisch na te denken over nut en noodzaak van de consumptie en de kosten.''