Eenzaam aan de top

Zelfbevrediging was al niet stoer, maar het werd vanaf de Verlichting pas echt gezien als een probleem. Progressieve denkers gingen toen op zoek naar een ethiek van zelfbeheersing. Dat blijkt uit een nieuwe, overweldigende studie naar de geschiedenis van solo-seks.

Masturbatie geldt nog altijd niet als een geschikt onderwerp voor een prettige conversatie op verjaardagen, bruiloften of partijtjes. Sinds Freud is het als praktijk wel makkelijker bespreekbaar dan honderd jaar geleden, en voor veel Amerikanen en Europeanen is het nader vertrouwd geworden sinds de boeken van Alfred C.Kinsey. Diens Sexual Behavior in the Human Male van 1948, en de studie naar de Human Female vijf jaar later, brachten onder meer aan het licht dat masturbatie veel vaker voorkwam dan gewoonlijk werd aangenomen. Dat de westerse samenleving het privé-gebruik ontoelaatbaar en onbespreekbaar had geoordeeld begon verbazing te wekken: wat was er nu zo erg aan?

Wat lange tijd `het erge' werd gevonden, behandelt Thomas W. Lacqueur in zijn brede cultuurhistorische studie Solitary Sex. A cultural history of Masturbation. Lacqueur, hoogleraar algemene geschiedenis in het Amerikaanse Berkeley, publiceerde eerder het veelgeprezen standaardwerk Making Sex. Body and Gender from the Greeks to Freud. In zijn nieuwe boek heeft hij het niet over de fysieke handeling van de masturbatie zelf, die moet er maar op de achtergrond worden bijgedacht. Het gaat hem om de openbare opvattingen erover, voornamelijk na 1700 in Engeland en Amerika, met verwijzingen naar Duitsland en Frankrijk en enkele blikken opzij naar Japan en China. Hoe het in Nederland ging staat hier niet; dat moet de lezer elders te weten komen. Er is al heel wat geschreven over onze seksuele beklemming in de afgelopen driehonderd jaar; Laqueur vat een belangrijk deel van de periode breeduit samen.

Het lijkt op het eerste gezicht begrijpelijk dat zoveel beoefenaren van masturbatie gekweld werden door een besef dat zij als zondig of immoreel te boek stonden en zichzelf bovendien schade toebrachten, als we veronderstellen dat de christelijke kerk zich natuurlijk vanoudsher met alle vormen van seksualiteit bemoeide. Maar wat veel lezers zal verrassen, is dat de kerken zich eeuwenlang juist niet druk hebben gemaakt over masturbatie (de term is in het Engels pas in de achttiende eeuw in gebruik gekomen, net als het bijbelse synoniem `onanie'; in Frankrijk een jaar of honderd eerder). De drukte begon pas ná 1700, toen de christelijke greep op de samenleving verslapte.

In 1716 verscheen namelijk onder de toonbank in Londen een boekje met de titel Onania, zonder naam van de auteur, die volgens Lacqueur geen ander geweest kan zijn dan een zekere John Marten van wie al enkele populaire werken waren verschenen over geslachtsziekten. Het sloeg om te beginnen aan als pornografie; in volgende edities werd het uitgebreid met een verhandeling over de zondigheid en schadelijkheid van masturbatie.

Nu waren in Engeland al eerder Franse en Italiaanse boeken op de markt gekomen waarin masturbatie besproken en afgebeeld werd. Er was er zelfs een van Nederlandse oorsprong, in het Latijn in Engeland verschenen: de Fornicatione van Hadrianus Beverland (1698), waarin dertig pagina's over soloseks gingen. Dat was lectuur voor connaisseurs van erotica. De openbare discussie begon pas goed na 1720, en een van de voornaamste vragen die Lacqueur wil beantwoorden is hoe dat precies verklaard kan worden. Het zat hem, volgens Lacqueur, in de overgang van de collectieve middeleeuwse samenleving naar de individualisering van wat toen de nieuwe mens werd: meer eigen vrijheid en verantwoordelijkheid, en dus ook meer onrust, in een nog niet bepaald ontkerstende wereld.

In ieder geval hoorden de achttiende-eeuwers meer dan hun voorouders over masturbatie en de gevaren ervan. Zij maakten zich angstige zorgen, tenminste als we afgaan op de medische en paramedische verhandelingen over kwalen en voorzorgen. Hoe kwam het dat ook de medische stand zoveel kwaad zag in de onfatsoenlijke of zondige praktijk van zelfbevrediging? Er waren geen ontdekkingen gedaan die erop wezen dat masturbatie de gezondheid ondermijnde of de maatschappelijke orde aantastte. Toch bleef die opvatting tweehonderd jaar lang overheersend. Mensen waren er wrakken van geworden, heette het, of er krankzinnig van geworden. Zelfs kinderen waren eraan doodgegaan; de Grand Dictionnaire van Larousse sprak in 1875 van: `talrijke gevallen van vijf-, zes- en achtjarige kinderen dood ten gevolge van masturbatie.' Bepaalde kwalen bleken meer dan eens voor te komen bij mensen die aan masturbatie deden, of beter gezegd: leden. Vervolgens werd daarin een oorzaak van de ziekte gezien, die hoewel onbewijsbaar anderzijds ook onweerlegbaar was.

Ook vooraanstaande artsen twijfelden niet aan de juistheid van de leer. De Fransman Samuel Auguste André David Tissot, schrijver van een in vele landen bekend medisch handboek, publiceerde in 1759 zijn L'Onanisme: Dissertation sur les maladies produites par la masturbation. Een deel mannelijk zaad, stond daarin, bevat evenveel vitale elementen als veertig delen bloed van gelijk formaat: daaruit bleek al hoe schadelijk geregelde verspilling van dat zaad moest zijn. Het boek werd onder andere vertaald in het Nederlands onder de titel Het onanismus of verhandeling over de ziekten, oorspronglyk uit de zelfbesmetting en beleefde minstens drie drukken.

De schadelijkheid die aan de onanie werd toegeschreven was niet alleen fysiek, maar ook moreel, sociaal en psychisch van aard. Jean-Jacques Rousseau zette er een grote lezerskring over aan het nadenken met zijn Emile, de opvoedkundige verhandeling en roman ineen. Toen Tissot hem zijn boek stuurde, antwoordde Rousseau dat, hoewel hij weinig meer las, hij dit boek niet had kunnen neerleggen. De proporties van het bloed en het zaad had hij niet zo precies gekend; wat hij wel meende te weten was dat iemand die jong aan masturbatie gewend was geraakt levenslang alleen van zichzelf vervuld zou blijven – het gevaar dat de jonge Emile bedreigde.

Over de maatschappelijke schade sprak enkele jaren later ook de filosoof Kant zich in schrikbarende bewoordingen uit. Het was in zijn opvatting al moeilijk om seksuele handelingen binnen het huwelijk enige morele waarde te verlenen, maar in eenzaamheid ging dat al helemaal niet. Integendeel, het was nog erger dan zelfmoord, schreef hij in Von der wohllustigen Selbstschandung. Bij zelfmoord gaat maar een enkele persoon verloren, terwijl masturbatie het voortbestaan van de hele mensheid bedreigt.

Tekenend voor de stemming van de late achttiende eeuw is de geschiedenis van John Hunters boek A Treatise on the Veneral Disease. Hunter, een prominente en zelfverzekerde arts, geloofde niet in de schadelijke effecten van masturbatie. Als mensen er last van kregen kwam dat door wat zij erover gelezen hadden, niet door hun handelingen, schreef hij. Maar hoeveel gezag hij ook had, op dit punt vond hij geen geloof: zijn ideëen werden niet bepaald bestreden, zij werden domweg genegeerd. Uit een tweede druk van zijn Treatise werd de beschouwing over masturbatie grotendeels weggelaten; toen zijn zoon, ook een arts, later een derde druk verzorgde, verving hij het laatste restje door een aantekening dat de onanie schadelijker was dan de auteur indertijd had aangenomen. Zo oppermachtig was de druk van de geldende overtuiging.

In de volgende honderd jaar werd die overtuiging vaak bevestigd en aangevuld. Lacqueur geeft een reeks voorbeelden van uitspraken door gezaghebbende artsen en moralisten die nu allemaal even ongeloofwaardig klinken. Niet alleen hebben wij tegenwoordig andere verklaringen voor de ziektes en kwalen die zij veroorzaakt achten uit de zelfbevrediging, de meesten van ons zijn ook niet zo laatdunkend als deze geleerde mannen over de functie van de menselijke verbeelding, die zij en passant veroordelen. Voor ons is een rijke verbeelding, het vermogen om de werkelijkheid te begrijpen en nieuwe vormen te creëren, in beginsel iets om te bewonderen. De achttiende-eeuwers zagen er eerder een vluchtplaats in voor mensen die de werkelijkheid niet onder ogen konden zien; en dat was het geval met degenen die seksuele relaties ontweken. Bij masturbatie wordt het objekt van de begeerte verzonnen, zei opnieuw Kant, en vele anderen zeiden het hem na: het lustgevoel werd bevredigd in een verzonnen werkelijkheid – schandelijk en schadelijk. Dat ook bij reguliere duo-seks de deelnemers soms een beroep doen op hun verbeelding kwam, geloof ik, bij hen niet ter sprake.

Een hulpmiddel voor die verbeelding was het lezen van romans. Vooral vrouwen, het zwakke geslacht, moesten daartegen worden beschermd, en ervoor worden gewaarschuwd, want die lazen nu eenmaal vaker romans. Lacqueur heeft een aantal achttiende-eeuwse prenten opgenomen van vrouwen op divans die bezig zijn zichzelf te bevredigen of het kennelijk net gedaan hebben. Meestal ligt er dan een boek bij op de grond dat ze hebben laten vallen na er misschien nauwelijks in gelezen te hebben: het wàs ook al gevaarlijk om op zo'n zachte bank te gaan zitten met een geopend boek in de ene hand en met de andere hand vrij of in de aanslag. Als een vrouw aan haar lust toegaf was zij volgens deze kenners in zoverre wel minder zondig dan een man, dat zij geen massa's zaad verspilde. Wel kon zij natuurlijk haar lichaam beschadigen, en ook zij leefde onverantwoordelijk buiten de maatschappij.

Tweehonderd jaar lang zijn de relaties van Europeanen met de masturbatie bemoeilijkt door dergelijk medisch en moreel gezag. In de negentiende eeuw werkten de vrezen en vermaningen uit de achttiende eeuw nog door. Lacqueur lijkt in die periode minder geïnteresseerd; hij vertelt er in elk geval minder over. Geleidelijk aan werd de masturbatie in verband gebracht met allerlei andere seksuele afwijkingen, verzekert hij. Het werd lastig om de categorieën uit elkaar te houden: lesbisch, nymfomaan, homoseksueel, masturbant, prostitutie, contraceptie – van het één kwam het ander.

Tegen 1900 werden de ideeën over masturbatie meer gevarieerd, en langzaam kwam er enig licht en ruimte in. Een sprekend voorbeeld van gemengde gevoelens gaf in 1904 G. Stanley Hall, de psychiater die Freud in Amerika introduceerde. In zijn standaardwerk over Adolescence schreef hij dat het enigszins meeviel met de kwade gevolgen van masturbatie, al was er kans op `neurasthenia, cerebrasthenia, spinal neurasthenia, and psychic impotence [...] purple and dry skin, clammy hands [...] and many digestive perversions'. In zijn autobiografie van 1924 vertelde hij hoe zijn vrezen in zijn kindertijd ontstaan waren: zijn vader had hem vreselijke griezelverhalen verteld, zo erg dat hij een tijd lang zijn penis met pleister had vastgeplakt om erectie te voorkomen. Ook Freud, met zijn theorie van masturbatie als een jeugdverschijnsel dat door mensen die zich normaal ontwikkelen overwonnen wordt, ging er niet zo onverstoorbaar mee om als wij tegenwoordig bereid zijn te doen.

Zou er zowat een eeuw later ook nog iets voortleven van al de vrees voor de gevolgen van zelfbevrediging? Waarschijnlijk wel. Al wordt er niet meer over geschreven, veel ouderen, en wie weet ook jongeren, zijn opgegroeid met het idee dat masturbatie immoreel en verkeerd is. Niet gevaarlijk voor de gezondheid misschien; wel moreel verwerpelijk, en in sommige ogen belachelijk. Zo herinner ik het mijzelf van vroeger, als het gedrag van jongens die te veel aan meisjes dachten waar zij natuurlijk niet aan mochten komen. Evenwichtige jongens zouden zichzelf nooit zo laten kennen.

Inmiddels is het wel afgelopen met de beroering, de kwellingen en de afstraffingen van voorheen. Voorzover er nu nog over wordt georeerd komt het van de andere kant, zoals Lacqueur met klinkende voorbeelden illustreert: van de schrijvers, de clubs en de websites die soloseks aanbevelen als een oplossing voor onze intieme problemen. Masturbatie `tells us something about the reality we are in' , `self-loving is a form of loving God' en `self-touch builds self-esteem'. Met zulke formules kan iemand zich nu in ernst aan het publiek presenteren, hoewel ze nog iets gekker zijn dan het versmade idee dat gepruts aan onze eigen organen schadelijk is.

Lacqueurs eigenlijke onderwerp is de opkomst en het verval van overtuigingen, opvattingen en verzinsels waardoor een hele samenleving zich meer dan tweehonderd jaar heeft laten leiden. Zo'n stelsel van ideeën heeft iets weg van het geloof in het marxisme, of, beperkter, het geloof in nationalisering van de economie. Of misschien nog iets beperkter, en tegelijk hardnekkiger: het geloof in de vrije marktwerking. Al zulke theoretische modellen van de werkelijkheid houden een tijd lang hun aanhangers in spanning en helpen hun tegenstanders aan ideeën om te bestrijden. Totdat hun geloofwaardigheid uitgeput raakt; dan worden ze achtergelaten en de aanhangers voelen gewoonlijk geen gemis en kijken uit naar een nieuw geloof.

Lacqueur heeft een ordelijk afgerond stuk beschavingsgeschiedenis gemaakt van zijn Solitary Sex. Hij beschrijft een lange historische boog van 1716 tot ongeveer 2000. Dat hij onafgebroken onderhoudend schrijft, zou te veel gezegd zijn. Hij vertelt heel makkelijk en verwerkt een onafzienbare hoeveelheid kennis waarvan de oorsprong te vinden is in 76 pagina's voetnoten. Indrukwekkend is hij wel; zelfs overweldigend. De lezer, geconfronteerd met al die zelfbevrediging, zal stevig moeten doorzetten om het eind te bereiken. Maar wat hij te vertellen heeft is zeker wetenswaardig.

De beroemdste propagandist van zelfbevrediging was overigens Diogenes, de cynische filosoof. De overlevering wil dat hij gehinderd door een erectie een afspraak had gemaakt met een prostituee die te lang op zich liet wachten. Toen zij verscheen was het te laat: hij had zichzelf al geholpen. Hij mopperde daar verder niet over, sterker nog: hij moet ook hebben gezegd dat hij het prettig zou vinden als hij zijn eetlust even makkelijk eigenhandig zou kunnen overwinnen.

Waarom heeft de Europese beschaving zich honderden jaren lang laten imponeren door mannen (vrouwen worden er pas tegen het eind van dit boek over gehoord) die bepaalden wat er seksueel niet mocht en meestal ook hoe het wél moest? Wie zich dat afvraagt moet bedenken dat de samenleving bestaat uit goedgelovigen, ongelovigen en twijfelaars. Dat onderscheid zal een matigende werking hebben op onze verbazing dat de masturbatievrees meer dan tweehonderd jaar lang nog niet is verdwenen. Degenen die hun verbeelding het hardst laten werken, blijken niet de masturbanten, maar hun hekelaars. Helemaal te begrijpen is het niettemin toch niet: dat dit onze beschavingsgeschiedenis is, en dat de naklank van het schrikbewind nog steeds wordt gehoord.

Thomas W .Lacqueur: Solitary Sex. A cultural history of masturbation. Zone Books, 501 blz. €22,50