Een spook in eigen leven

Het lot is niet kieskeurig: je hoeft geen klassieke held te zijn, niet eens een hoogstaand mens. Nog altijd is één verkeerde afslag voldoende om een leven dramatisch te veranderen.

`This life came so close to not happening.' Het is de slotzin van 25th hour, de nieuwe film van Spike Lee, die al weken door mijn hoofd speelt. Het leven in kwestie is dat van Monty Brogan, een dopedealer die in het New York van na `9/11' op het punt staat voor langere tijd de gevangenis in te gaan, en die zijn laatste vierentwintig uur in de vrijheid gebruikt om de rekening van zijn leven op te maken – met zijn vader, zijn vriendin die hij ervan verdenkt hem verlinkt te hebben, zijn twee beste vrienden en zijn hond. Het liefst zou hij iedereen, de hele godvergeten klotewereld, de schuld van zijn rampspoed geven – en dat probeert hij ook, tijdens een meesterlijke, voor een spiegel in het café van zijn vader gehouden scheldkanonnade tegen alles en iedereen in New York – maar echt helpen doet het niet: he fucked up, zo simpel is het.

Hij wordt niet zozeer geplaagd door berouw over zijn misdadige verleden op zich, maar – naarmate de kostbare uren verstrijken – wel steeds sterker door een mengeling van verslagenheid en wanhoop over wat hij zijn directe omgeving en vooral zichzelf heeft aangedaan. Het vooruitzicht van zeven jaar cel in een gevangenis waarin zijn persoonlijkheid voorgoed verminkt zal worden door de gewelddadigheden die hem daar te wachten staan, is daar niet vreemd aan.

Hij is geen hoogstaand mens, Monty Brogan, laat staan een held, zeker niet in de morele zin – en toch was ik begaan met zijn lot. Nee, niet `en toch': juist omdat het puur zijn `lot' was, dat hem parten speelde; een lot dat, blind en wel, sterker is dan de man. Omdat ik – zonder afgeleid te worden door persoonlijk mededogen – gedwongen werd onder ogen te zien wat het is om onderworpen te zijn aan zoiets als het lot. Het lot zoals dat vanaf het prille begin ook werkzaam is in ieders leven, misschien zelfs wel tot lang daarna, maar – en daar gaat dat zinnetje aan het slot van de film nou juist over – niet eerder.

`This life came so close to not happening.' Daaruit valt af te leiden dat het kennelijk tot het allerlaatste moment onzeker is of we het wel gaan halen, ons leven. Alsof het bestaan, het zijn, een trein is die altijd net al bezig is zich van het perron los te maken op het moment dat jij met je koffers buiten adem de trap op komt rennen. Zijn of niet-zijn is geen vraagstuk waar je alle tijd voor hebt om nog eens rustig over na te denken, al dan niet met een pijp of een narrenschedel in je hand. Het is opschieten geblazen, en dan nog. De race met het niet-zijn kun je niet anders winnen dan met een banddikte verschil, een neuslengte, een haarbreedte. Niet zelden zal er een fotofinish voor nodig zijn om uit te maken of iemand het wel gered heeft. Bedenk dat wel, wanneer je weer eens tegen iemand – een ouder, een geliefde, hulpverlener, jezelf – roept dat je er per slot niet om gevraagd hebt om geboren te worden. Maak dat de kat wijs! Dan zat je hier niet. Dan had je die trein immers nooit gehaald.

`This life came so close to not happening.' Het is de vader van Monty die het zegt – terwijl de camera, op weg naar het eindshot, boven de auto uitzweeft waarin hij zijn zoon wegbrengt naar de gevangenis. Het is het besluit van een lange voice-over waarin de vader zijn zoon voorhoudt hoe diens leven eruit zou kunnen zien wanneer ze zouden besluiten een andere afslag te nemen – en zonder om te kijken westwaarts te blijven rijden tot ze ergens ver weg in een anoniem stadje terecht zouden komen waar Monty dan helemaal opnieuw zou kunnen beginnen: een baan, vrienden, een huwelijk, een betere baan, kinderen, kleinkinderen, het grote en het kleine geluk – en tot slot, God weet, gelouterd door deze tweede kans, de waarheid, peace of mind.

Terwijl de vader vertelt zien wij het zich allemaal in hoog tempo voor onze ogen voltrekken, als in een droom: de single-versie van de Amerikaanse Droom – die echter, zoveel is door alles wat er in de film aan vooraf is gegaan wel duidelijk geworden, inmiddels is afgebroken tot Ground Zero, even weinig waard als een ongedekte cheque. Niet alleen in het groot, in de wereld van na 11 september, maar ook in het klein, in het leven van Monty Brogan.

Doet-ie het wel of doet-ie het niet? In sommige besprekingen van 25th Hour werd nog gewag gemaakt van een `open einde', maar voor mij is dat geen seconde aan de orde geweest. Monty waardeert het aanbod van zijn vader, is er door geroerd zelfs, maar weet dat hij op weg naar de gevangenis niet meer langs `af' zal komen. Er is ooit wel een afslag geweest in zijn leven, lang geleden, maar dat was de verkeerde – en die heeft hij genomen en sindsdien was er geen terugkeren meer aan.

Ik moest daarbij ook steeds denken aan een verhaal van Nathaniel Hawthorne. Om de waarheid te zeggen moet ik nogal vaak aan dat verhaal denken, waarschijnlijk meer dan goed voor mij is. Het is het verhaal van een man, Wakefield, die op een dag als alle andere 's ochtends de deur uitgaat, maar in plaats van naar zijn werk te gaan, zijn intrek neemt in een huurkamer vlakbij zijn huis, met het plan om van daaruit – een paar dagen, denkt hij, hooguit een week – zijn vrouw te gaan bespieden. Niet omdat hij haar van ontrouw verdenkt of om haar te straffen, maar gewoon om te zien wat het effect van zijn verdwijning zou zijn. Een als nieuwsgierigheid ingeklede vorm van ijdelheid die niemand vreemd is.

Tijdens de eerste dagen van zijn vermissing ziet Wakefield zijn vrouw ongerust worden, in paniek raken en tenslotte breken van verdriet. Wanneer hij op een dag terug wil keren om haar te troosten – hij staat al met zijn huissleutels in zijn hand – raakt hij in paniek; het is alsof een onzichtbare muur hem van zijn eigen leven scheidt, alsof zijn plaats daarin al is vergaan. De maanden verstrijken, worden jaren; zijn vrouw berust in haar weduwschap en Wakefield kan alleen nog af en toe met zijn neus tegen de ruit toezien hoe zij haar leven voortzet zonder hem. Op een avond kijkt zij hem daarbij recht in het gezicht, maar herkent hem niet. Misschien is het juister om te zeggen dat zij dwars door hem heenkeek – hij was een geest geworden. `Hij had zich losgemaakt van de wereld', volgens Hawthorne – en hij was verdwenen; zijn plek en privileges onder de levenden had hij opgegeven zonder al toegelaten te zijn tot de doden.'

En dat is ook precies de reden waarom Monty Brogan de beker met het nieuwe leven die zijn vader hem voorhoudt aan zich voorbij zal laten gaan. Omdat hij weet dat hij daarin hoogstens kan figureren als spookverschijning – als Wakefield, een man die gedoemd is om in zijn eigen leven rond te lopen als in een droom, zonder substantie, zonder ziel. Een nachtmerrie. Dan nog liever de consequenties van zijn daden ondergaan.

Dat het gevaarlijk is om afstand te nemen van de dingen waarin je gelooft, de plekken en de mensen die je liefhebt, is niet zozeer omdat het zo ontstane gat zo diep en zo wijd is – maar omdat het juist zo snel weer achter je gedicht wordt. Zo sterk en tegelijk flexibel is het web van oorzaak en gevolg waarin we zijn verweven en dat we, met onze handpalmen omhoog, het lot noemen.

Net zoals het altijd maar een haartje scheelt of we zien ons leven met hoge snelheid aan ons voorbijgaan, zo hoeven we maar even een kleine stap opzij te doen en we zijn voorgoed onze plaats kwijt.