Een sluwe zakenman

Graham Robb schreef de veelgeprezen biografie van Arthur Rimbaud, een geniaal dichter die ook erg goed was in gratis reizen. ,,Een biograaf moet moreel gezien neutraal zijn.''

Op 10 juni 1876 verliet Arthur Rimbaud de haven van Den Helder aan boord van het stoomschip de Prins van Oranje. Hij had getekend als soldaat in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, dat in de Nederlandse kolonie de rust en orde diende te handhaven. In Den Helder had hij een militaire basistraining gehad, zich geamuseerd met hoeren en drank. Aan boord werd hij voorzien van pijp en tabak, zeep en een serie spellen om te voorkomen dat hij zich zou gaan vervelen.

,,Rimbaud was een kei in het regelen van gratis reizen'', zegt Graham Robb, schrijver van de onlangs in het Nederlands vertaalde biografie van de Franse dichter (1854-1871). ,,Iemand had hem verteld dat men in Nederland mensen zocht die naar Indië wilden gaan. Hij wilde de wereld zien, werd nog betaald ook. Eenmaal op Java aangekomen deserteerde hij nog voor het vechten begon. Dat was moedig, want meestal werden deserteurs doodgeschoten. Hij verdween, ging door de jungle naar het oosten terug naar de haven, vond een schip dat suiker vervoerde en monsterde aan onder een valse naam. Op 9 december was hij weer bij zijn moeder in Charlesville.''

Tweeëntwintig jaar was Rimbaud tijdens deze escapade. Hij had op dat moment al de revolutionaire poëzie geschreven waarmee hij later wereldberoemd zou worden, hij had de hele poëtische en culturele avant-garde van Parijs eerst aan zijn voeten gekregen en vervolgens tegen zich in het harnas gejaagd, hij had de alcoholische dichter en jonge vader Paul Verlaine verleid tot een schaamteloze homoseksuele verhouding en was uiteindelijk door hem in zijn arm geschoten.

Het levensverhaal van Rimbaud is voor iedere biograaf `a good story', vindt ook de Engelsman Robb (1958). Hij is een voormalig docent Franse literatuur, die eerder bekroonde biografieën schreef van Balzac en van Victor Hugo. Rimbaud werd een mythe: musici als Bob Dylan, Jim Morrison en Kurt Cobain liepen met hem weg, surrealistische kunstenaars als Jean Cocteau en André Breton bewonderden hem mateloos en ook voor Pablo Picasso bleek hij een bron van inspiratie.

Oneliners

`Het echte leven is niet hier', `Ik is een ander', `een beredeneerde ontregeling van alle zintuigen' – het zijn allemaal slogans die uit de mond van Rimbaud zijn opgetekend en die nu nog steeds regelmatig opduiken. Ook zijn biograaf worstelt met de interpretatie ervan. ,,Die oneliners blijven raadselachtig. Neem `de beredeneerde ontregeling van alle zintuigen'. Het betekent niet dat je dronken moet worden en dan poëzie kunt schrijven. Rimbaud hield ervan dingen te zeggen die mensen in verwarring brachten. Net zoals hij het heerlijk vond verwachtingen te scheppen en ze dan te vernietigen.''

Dat zijn poëzie tot nu toe de tand des tijds doorstond is volgens Robb te danken aan de zeldzame combinatie van muzikaliteit en intellectuele diepgang: ,,Het is geen abstracte filosofie, maar toch heeft het een vergelijkbaar effect op je geest. Rimbaud wilde dat zijn poëzie de natuur van het bestaan, de aard van de werkelijkheid veranderde. Hij laat je over dingen nadenken waar je zelf nooit opgekomen zou zijn. Hij geeft je de indruk dat je intelligenter bent dan je bent. Neem één van zijn vroegste gedichten, `Sensation', uit maart 1870, dat hij schreef toen hij vijftien jaar was: `Par les soirs bleus d'été, j'irai dans les sentiers', etc. Het is een gedicht over iemand die door een grasveld loopt. Hij veranderde beau in bleu – daarmee veranderde hij het hele gedicht! Na het lezen van dit gedicht kun je nooit meer op dezelfde manier door het gras lopen.''

Voor Rimbaud was poëzie een mechanisme, betoogt Robb in zijn biografie, een middel tot een doel: hij wilde waardering oogsten of irritatie wekken, hij schreef nooit louter ter vermaak. Toen hij zestien was en op het punt stond zijn geboortestad Charlesville, in de Ardennen, te verruilen voor Parijs, schreef hij het beroemde gedicht `Le bateau ivre'. Dankzij de grote Parnassiaanse dichters van dat moment, onder leiding van Theodor de Banville, was er een fonds voor de getalenteerde jonge dichter in het leven geroepen waarvan hij zou kunnen leven en Paul Verlaine was bereid hem onderdak te geven. ,,Rimbaud kon alles, hij was een groot imitator'', zegt Robb. ,,Op dat moment wilde hij een meesterwerk schrijven, en dat deed hij dus ook. Het maakte indruk. Er zaten weliswaar nog wat foutjes in, maar dat zou met de jaren wel beter worden, meende de culturele Parijse elite. Heel bewust speelde Rimbaud met zijn imago van het genie uit de provincie, het dichtende wonder dat nog niet verdorven was door de uitwassen van de grote stad.''

In zijn boek beschouwt Robb `Le bateau ivre' dan ook niet, zoals gebruikelijk, als het werk van een jonge dichter op de drempel van een briljante carrière, waarin een wat duistere kern steekt, maar als een meesterstuk, zoals een gezel dat diende af te leveren voordat hij voor vol werd aangezien. Het is `het visioen van een heel leven', `een fascinerend zelfportret'.

Traditie

,,Een deel van het gedicht lijkt onbegrijpelijk'', zegt Robb, ,,en toch is het nauwgezet geschreven volgens de toen geldende regels van de Franse poëzie. Het is net een tentoonstellingskabinet in een museum, vol met rare voorwerpen die er niet thuishoren. Rimbaud verstond de kunst om ogenschijnlijk te gehoorzamen, om de indruk te maken zich te conformeren en daar tegelijkertijd aan te ontsnappen. Dat was voor zijn tijd erg ongebruikelijk. Aan traditie had je je te onderwerpen. Wie dat niet deed, stelde zich buiten de maatschappij.''

Ook zijn gedrag was voor die tijd nogal ongewoon, vertelt Robb met het nodige understatement: ,,Nadat Verlaine hem, om zijn huwelijk te redden, uit huis had gezet (Rimbaud vernielde allerlei voorwerpen van Verlaines vrouw), had zijn mecenas, Theodore de Banville, voor hem elders een kamer geregeld. Rimbaud sloeg alles wat erin stond kort en klein. Voor hem bestond er niet zoiets als privé-bezit en dus bestond er ook geen gastvrijheid. Banville had hem iets gegeven dat hem sowieso niet toebehoorde.''

Zijn vrienden onderwierp hij aan sadistische grappen: hij gooide zwavelzuur in hun borrel, sneed 's winters hun ramen uit de sponningen en gebruikte hun gedichten als wc-papier. Na drie weken Parijs werd hij door velen uitgekotst, maar toch bleef hij een onweerstaanbare aantrekkingskracht op zijn omgeving uitoefenen. In de omgeving van Rimbauds intellect werd alles interessanter: hij stonk naar genialiteit, schreef de schilder Forain.

Dat die genialiteit niet ophield op het moment dat Rimbaud de dichtkunst vaarwel zei, is de inzet van de biografie van Graham Robb. In tegenstelling tot eerdere biografen besteedt Robb evenveel aandacht aan het eerste als aan het tweede deel van Rimbauds leven, toen hij geen letter poëzie meer schreef en zich als zakenman in Ethiopië had gevestigd. Robb ziet het verloop van Rimbauds leven als een eenheid, waarbij de eerste tweeëntwintig jaar (Rimbaud de dichter), een logisch geheel vormt met de laatste veertien jaar (Rimbaud de zakenman). ,,Het irriteerde mij vreselijk dat schrijvers en wetenschappers claimden dat zijn poëzie briljant was, maar weigerden diezelfde uitzonderlijkheid te accepteren op andere gebieden in zijn latere leven. Dat is een vooroordeel. Wat mij motiveerde was die vooronderstelling dat Rimbaud in Afrika gefaald zou hebben, dat hij gewoonweg geen goede handelaar geweest kon zijn omdat hij dichter was.''

Kasboeken

Nieuw materiaal voor onderbouwing van zijn hypothese had Robb niet. Op een veiling bij Drouot in 1998 waren wel een paar nieuwe jeugdbrieven opgedoken, maar Robbs voornaamste inzichten kwamen voort uit een andere interpretatie van al bekende bronnen, Rimbauds kasboeken bijvoorbeeld. Feit is dat Rimbaud in 1880 zonder een cent in Aden aankwam en dat hij daar elf jaar later weer vertrok met een bankwissel ter waarde van omgerekend ongeveer twee ton. In Harrar en Aden verhandelde Rimbaud goud, muskus, ivoor, maar ook wapens en slaven. ,,Dat hij goed verdiende kun je precies zien'', zegt Robb. ,,Mensen die Rimbaud in Afrika hebben gekend, zeiden dat zijn boekhouding altijd smetteloos was. Toch zijn er een paar obscure zaken, de verkoop van wapens aan de Abessijnse koning Menelik bijvoorbeeld. Je ziet dat hij er enorme winst op maakte, maar tegen zijn omgeving zei hij dat hij erbij in was geschoten, dat handel met de Abessijnen hopeloos was. Rimbaud was een uiterst sluwe handelaar.''

Robb wilde aantonen dat Rimbaud geen toevallig romantisch geïnspireerd dichter was, maar dat hij op ieder moment van zijn leven precies wist wat hij deed: ,,Dat rare idee dat dichters niet mee kunnen komen in de echte wereld, zou Rimbaud pathetisch hebben gevonden. In Afrika was hij geïnteresseerd in machines, las gebruiksaanwijzingen, wilde weten hoe dingen werkten.'' Hij vroeg een Franse vriend hem allerlei instrumenten te sturen, zoals een kompas, een sextant, een landmeterskoord, een geometriedoos en een zakbarometer. Zijn studies over tot dan toe onontdekte gebieden, de Ogaden bijvoorbeeld, vielen op en de Société de Géographie wilde zijn naam op hun lijst met beroemde ontdekkingsreizigers plaatsen. Hij verkoos het overigens om niet in te gaan op dat verzoek.

,,De rol van biograaf is die van een spelbederver'', zegt Robb, ,,van iemand die zegt: weet u wel dat Rimbaud een naar gevoel voor humor had? En dat hij tegenwoordig weliswaar populair is bij linksdenkenden, maar dat hij zich tijdens zijn leven hard maakte voor het behoud van de slavenhandel?''

Robb heeft duidelijke ideeën over wat een biograaf wel en niet moet doen: hij moet moreel gezien neutraal zijn; hij moet altijd de kant kiezen van het individu tegenover de maatschappij; hij moet zijn hebzucht naar informatie weten te beheersen; hij moet zichzelf een beetje laten zien, maar niet te veel; en hij moet de waarheid willen vertellen, dat wil zeggen dat hij zich niet moet laten leiden door verhalen die over zijn onderwerp de ronde doen.

Letterlijk `in de voetsporen treden van' is volgens Robb overbodig. ,,Ik sta erg wantrouwig tegenover biografen die met een hoop heisa vertellen hoe ze hun comfortabele huis in Hampstead verlieten en hoezeer ze gedurende een halve middag hebben geleden in het gezelschap van vreemd uitziende mensen en verbleven in huizen waar de toiletten niet werkten. Ze verbeelden zich dat ze hun onderwerp zijn en dat is natuurlijk niet zo. In plaats van in de werkelijkheid van je onderwerp te stappen, creëer je je eigen ervaring, met je eigen fantasie. Dat soort biografen verdoet zijn tijd. Een middag in de bibliotheek weegt daar ruimschoots tegenop. Alleen mensen die zelf ook schrijver zijn kunnen dat wel, daarom zijn de boeken van Alain Borer en Charles Nicolls zo geslaagd.'' Zelf bracht Robb twee maanden door in Oost-Afrika, bij vrienden in een hut gebouwd van modder, maar dat was nog voor hij zijn biografie schreef.

Als biograaf moet je ook niet te snel de Grote Vraag stellen, vindt Robb. Niet meteen vragen: wat is kunst? Of, wat is poëzie? Eerst eens rustig beginnen bij één gedicht of één roman, pas later drie of vier vragen formuleren. Zo ontdekte Robb na jaren studie dat Balzac en Rimbaud iets wezenlijks gemeen hebben: ,,Ze schrijven beiden vanuit de realiteit en tegelijkertijd zijn zegeen realisten. Ze scheppen iets dat echt lijkt, maar dat niet echt is. Dat betekent dat je als lezer tegelijkertijd volwassene en kind kunt zijn: je kunt als volwassene je intelligentie scherpen en als kind genieten van de fantasiewereld. Die ironie, dat is waar het bij beiden om gaat.''

Passie, verwantschap of identificatie zijn termen die Robb niet in de mond neemt als hij het over zijn onderwerpen heeft, hoe bevlogen hij ook over hen spreekt. Hij beschouwt de wil van biografen om in de huid van hun onderwerp te kruipen als een klassieke valkuil.

Wat het voor hem dan wel is? ,,Het is werk en tegelijkertijd ook de rechtvaardiging voor mijn bestaan, voor het feit dat ik ruimte inneem.''

Graham Robb, `Rimbaud. De biografie'. Vertaald door Han van der Vegt, Kristine Steenbergh en Michael Eenhoorn. Uitg. Bert Bakker, 561 blz, €29,95.