De Nachtwacht in een dieplader

Het Rijksmuseum wordt grootschalig gerenoveerd. Ruim een miljoen voorwerpen worden tijdelijk elders ondergebracht. ,,Een verhuizing om pijn in je buik van te krijgen.'' En ook nog asbest.

`Kijk hier, dat plafond. En dat parket! Geen gezicht!' Tijdens een snelle rondleiding door het Rijksmuseum, begin april, kan pr-medewerker Boris de Munnick in elke zaal minstens één inconsequentie aanwijzen. Sinds de opening in 1885 is de `kathedraal' van architect Pierre Cuypers nog nooit grootschalig gerenoveerd. De Zuidvleugel kwam erbij, de binnenhoven werden volgebouwd, hier en daar werd eens een zaal of gang opgeknapt – altijd volgens de mode van het decennium. Maar dan was het geld weer op. Nu barst het gebouw uit zijn voegen, en kan het zijn dagelijkse bezoekersaantal van vier- tot vijfduizend nauwelijks meer aan. En wie goed kijkt, ontdekt afbladderende verf, zichtbare bedradingen, vervallen parket en muren in vloekende kleuren.

De Rijksgebouwendienst ontdekte nog iets anders: asbest. De eerste echte renovatie van het Rijksmuseum zou in januari 2004 van start gaan met sloopwerkzaamheden, en daarom vonden er dit voorjaar de van overheidswege verplichte asbestcontroles plaats. Op maandag 28 april werd, na een bezoek van de Arbeidsinspectie, het gebouw met onmiddellijke ingang gesloten. Een vijftigtal medewerkers, onder wie Boris de Munnick, kreeg te horen dat zij voorlopig niet bij hun bureaus konden komen. Een dag later stonden voor het museum stafleden in felgele jekkies klaar om de groepen verbouwereerde, soms boze toeristen op te vangen met koffie en een excuusbrief van de directie. No Night Watch today.

Inmiddels is de Zuid- ofwel Philipsvleugel weer open en werd ook de Eregalerij, met onder meer de Nachtwacht-zaal erin, asbestvrij verklaard. Dit `hart' van het museum zal ,,nog voor het eind van de maand'' worden heropend, verklaarde directeur Ronald de Leeuw vorige week strijdlustig aan de pers. Maar vooralsnog zijn de poorten gesloten en is het museum vergeven van de `marsmannetjes', in de woorden van Antoinette van Dorssen.

Van Dorssen is de Projectleider Verhuizing van het Rijksmuseum. Onder haar regie moeten in één jaar tijd 1,1 miljoen voorwerpen worden verwijderd uit 210 zalen en 79 depots. De spullen moeten in geklimatiseerde en luchtgeveerde vrachtwagens worden overgebracht naar twee monumentale kluizen in Lelystad, het voormalige distributiecentrum van de euro's. De Philipsvleugel, die tijdens de verbouwing open blijft, wordt gevuld met een paar honderd topstukken uit de collectie, zodat in ieder geval een deel van de veelal buitenlandse bezoekers van het museum gewoon kan blijven komen. Op 10 mei 2004 moet het gebouw leeg worden overgedragen aan de aannemers en de architecten van Cruz y Ortiz. Ook niet-geregistreerde voorwerpen – wandschilderingen, schouwen, meubels uit Cuypers' tijd – moeten dan weg zijn; als het museum ze wil houden, tenminste.

Het is een verhuizing ,,om pijn in je buik van te krijgen'', zegt Van Dorssen. Veel voorwerpen zijn in 118 jaar nog nooit van hun plaats geweest. Het is allemaal zo kwetsbaar. En nu wordt door de `marsmannetjes' ook nog overal het stof op asbest onderzocht – met name de spullen in de depots zouden wel eens vervuild kunnen zijn. Stel dat bijvoorbeeld de collectie Venetiaans glas moet worden schoongeblazen?

Museumles

Zolang ze de uitslag van het onderzoek nog niet kent, probeert Van Dorssen ,,het hoofd koel te houden''. Het ingenieuze schema dat ze voor de verhuizing heeft opgesteld, gaat vooralsnog gewoon door. Ze heeft raamovereenkomsten met drie verhuisbedrijven tegelijk gesloten, om de risico's te spreiden. ,,Anders heb je niets om op terug te vallen als er iets misgaat.'' De verhuizers zijn allen ervaren kunsttransporteurs, maar als de offertes straks ondertekend zijn, krijgen ze `museumles': ze leren van de restauratoren wat je waarmee inpakt, en hoe men zich in de nabijheid van kunst dient te gedragen. Tijdens de verhuizing wil Van Dorssen dat de hele staf ,,constant op scherp staat''. Wie een verhuizer op zaal ziet eten of roken, moet alarm slaan. De grootste precisieklusjes doet het museum zelf. Op de verhuizing van het poppenhuis van Petronella Oortman, dat uit zesduizend onderdeeltjes bestaat, worden drie weken lang twee restauratoren gezet, die in alle rust moeten kunnen werken.

De verhuizing van de Nachtwacht naar de Philipsvleugel wordt juist een publiek spektakel; het topstuk der topstukken zal in een dieplader over de openbare weg de paar honderd meter van het hoofdgebouw naar de Philipsvleugel worden vervoerd. Het concept-draaiboek voor die dag ligt al klaar.

Ondanks alle voorzorgsmaatregelen blijft het volgens Van Dorssen een ,,erg risicovol geheel''. Haar grootste angst, buiten de asbestcomplicaties, is het weer. ,,Regen geeft niet, maar vorst sluit schilderijentransport uit. De luchtvochtigheid is dan zo laag dat je werken onherroepelijk beschadigd worden. Bij een strenge winter raken we achter op schema. Dat kan niet anders.''

Sinds de plotselinge sluiting is de saamhorigheid tussen de ruim 400 medewerkers sterk toegenomen, zeggen alle geïnterviewden. Dat er asbest in het gebouw zat, was algemeen bekend. Maar dat het was beschadigd en dat het in de lucht en het stof zat, kwam voor iedereen als een `donderslag bij heldere hemel'. Nu is er `grote bezorgdheid', maar de sfeer is goed. ,,Dit soort calamiteiten schept ook een band'', zegt Boris de Munnick. De directie heeft vanaf het begin open kaart gespeeld en de staf al vier keer uitgebreid over het asbest geïnformeerd. De personeelsafdeling is tot elf uur 's avonds bereikbaar voor vragen. Thuis vult iedereen een vragenlijst in over waar in het gebouw hij of zij gewerkt heeft, en wanneer. De gegevens worden verwerkt in een `blootstellingsregister'.

Bij de staf kwam er al een ,,golf energie los'', vertelt Antoinette van Dorssen, toen directeur Ronald de Leeuw op de nieuwjaarsborrel nog eens groots de naderende renovatie aankondigde. ,,Het was alsof de mensen toen pas in de gaten kregen dat het echt te gebeuren staat. Niet ooit, maar dit jaar nog.'' Tot dan toe was het hele project voor de meesten nauwelijks te bevatten, zegt conservator Eveline Sint Nicolaas. ,,Na de renovatie ziet het museum er totaal anders uit, en de hele inrichting is ook anders. Iedereen die hier werkt, raakt al zijn ijkpunten kwijt. En sommigen werken hier al meer dan twintig jaar.''

Militaria

Sint Nicolaas is conservator bij de afdeling Nederlandse Geschiedenis, waar ze de collectie militaria beheert. Haar werkkamer bevindt zich nu nog in het (asbestvrije) Veiligheidsinstituut, een pand tegenover het museum in de Hobbemastraat, naast het Zuiderbad. Na de verbouwing heet dat het Ateliergebouw. Alleen het voorste gedeelte blijft staan. Daarachter komen nieuwe restauratie- en foto-ateliers, voor zowel het Rijksmuseum als het Instituut Collectie Nederland (ICN), dat er bij komt met zijn restauratorenopleiding. De conservatoren steken de straat over naar de (eveneens asbestvrije) Villa naast het museum, waar nu de directie zetelt, en díe gaat dan weer met Communicatie naar de Mannheimer villa, ook in de Hobbemastraat. `Het Bureau', wordt dit nieuwe onderkomen genoemd. Het hoofdgebouw wordt weer helemaal `teruggegeven aan het publiek' – alleen Educatie mag er blijven, in een ruimte boven de bibliotheek.

Bij Nederlandse Geschiedenis wordt al langer `breed gekeken' en worden historische voorwerpen aangevuld met teksten, landkaarten en kunstwerken. In de nieuwe opstelling gebeurt dat met de hele collectie: elke zaal geeft straks, met een combinatie van beeldende kunst, toegepaste kunst en historische documentatie, een beeld van een bepaald tijdvak. ,,De moderne museumbezoeker wil helderheid, een grote greep'', zegt directeur Ronald de Leeuw. ,,Dat was de duidelijkste lijn die uit onze publieksonderzoeken naar voren kwam. Iedereen kan straks op periode kiezen, zeggen: ik ga vandaag naar de zeventiende eeuw. Het museum wordt weer echt `ter lering ende vermaak'.''

Om deze horizontale vermenging van afdelingen gestalte te geven, werd twee jaar geleden een werkgroep van zes conservatoren opgericht die elke dinsdagmiddag door de museumzalen en de depots trok. De afspraak was dat iedereen alles wat hij over een voorwerp wist, zou vertellen. Pas anderhalf jaar later, na 75 dinsdagmiddagen, waren de verhalen op. Tussen historici en kunsthistorici traden in het begin wel ,,kleine clashes'' op, vertelt Eveline Sint Nicolaas. ,,We hebben in depot een collectie beelden die tijdens de Beeldenstorm uit kerken zijn verwijderd en opgeslagen. Ze zijn helemaal aangevreten door de houtworm. Voor mij is dat een prachtig tastbaar historisch bewijs, maar een kunsthistoricus zegt: néé, dat kan niet in het museum. Het is niet móói.'' De Leeuw: ,,Conservatoren zijn van nature behoudend. Dat is goed, het is hun taak. Van mij mag hier flink geruzied worden, over welk voorwerp waarheen moet, maar ook over waar de wc's moeten komen.''

Daglicht

Meubelrestaurator Paul van Duin kreeg met een soortgelijke behoudendheid te maken toen bekend werd dat alle restauratoren, tot dan toe in plukjes verspreid over het hoofdgebouw en de daaraan vastgebouwde voormalige Teekenschool, samen naar het Veiligheidsinstituut zouden verhuizen. ,,Er was ongerustheid'', zegt Van Duin, inmiddels fulltime Projectleider Bouw. ,,Mensen hadden een onbestemd gevoel van `ze gaan iets met ons doen'.'' Dat Veiligheidsinstituut leek zo ver weg. Was daar wel genoeg daglicht, en loopruimte? En die restauratoren-in-opleiding van het ICN, van wie toenmalig staatssecretaris Rick van der Ploeg vond dat ze erbij moesten komen – zou dat wel gaan? Van Duin: ,,Er is zelfs nog een plan geweest om twee aparte ingangen te maken, en om binnen een grote muur in het midden te zetten.''

Inmiddels zijn de restauratoren goed geïntegreerd en onderhandelt Van Duin namens hen met architecten en `installatie-adviseurs' over zuurkasten, stereomicroscopen en afzuigarmen. Er komen steeds nieuwe tekeningen met almaar meer details, maar het blijft een beetje ,,koffiedik kijken''. ,,Mensen uit de bouwhoek waarschuwen ons al. Die zeggen: op het moment dat een gebouw klaar is, is het alweer achterhaald.''

Uiteindelijk, denkt ook Van Duin, wordt het allemaal beter, gestroomlijnder. Zijn huidige, smalle werkkamer in de Villa valt bijkans uit elkaar van ellende, en hij moest hem de afgelopen weken ook nog delen met twee uit het hoofdgebouw verdreven collega's. Dat is nu voorbij, gelukkig. Er zijn tijdelijke `flexplekken' in het Veiligheidsinstituut ingericht, en wie op vakantie gaat, ziet zijn bureau onmiddellijk door een collega in beslag genomen. Toen er vrijwilligers gezocht werden om in asbestpak de in het hoofdgebouw achtergebleven laptops en andere werkspullen op te halen, meldden er zich meer mensen dan nodig waren. Boris de Munnick is alleen zijn Rolodex nog kwijt.

Op zijn werkkamer in de Villa zit directeur Ronald de Leeuw intussen onafgebroken te vergaderen over de heropening van zijn museum. De Eregalerij en de Oostvleugel moeten het eerst open. De schilderijen daar zijn de core collection van het Rijks. Elke dag dat ze niet te zien zijn, is er een te veel. ,,De betrokkenheid van het publiek is enorm groot'', zegt de directeur. ,,Als de klok op een van de torens hier een ochtend stilstaat, krijgen we al tientallen telefoontjes binnen. De mensen leven met ons mee, ze houden van ons. Dat moeten we koesteren.''